Gij, Lilas! buigt uw teêre takken,
Wen Fillis uwen stam genaakt;
Laat die eerbiedig nederzakken
Wanneer de zon te vurig blaakt;
Zoo mogt gij haar ten scherm verstrekken:
Onttrekt haar vrij aan elks gezigt.
Bij wien zou ik geen afgunst wekken,
Van mijn geluk slechts onderrigt?
En gij, die 't zinnebeeld doet pralen
Van onschuld en bevalligheid,
O leliebloem, ô pronk der dalen,
Hoe streelt me uw zachte majesteit!
In u vind ik mijn Fillis weder,
In u haar onbevlekt gemoed,
Haar blank gelaat, haar hart zoo teder,
En al wat haar beminnen doet.
Gij ranke boompjes, hooge abeelen,
Wier dunne loverdosch ons niet,
Een digte schaduw meê kan deelen,