En slechts een wieglend lommer biedt;
De nachtegaal zal op u schatren,
En de echo, bij 't geruisch der beek,
Zal keer op keer den naam doen klatren
Van haar, voor wie al 't schoonste week,
Die elk bewondren en beminnen,
Geen meisjen evenaren mag,
Wier liefde en deugd in vastheid winnen,
Van jaar tot jaar, van dag tot dag.