Ofschoon 't vergrijzen zijner haren
Hem 't huivrig winteruur voorspelt,
De rust, die immer hem verzelt
Doet hem nog ware vreugd vergaren.
Op 't einde, moe van 't aardsch gewemel,
Zijn loop met nijverheid volbragt,
Verheft zijn hart zich fier ten hemel,
Waar hem een kalme ruste wacht.
Zoo schouwt een wandlaar 't blozend glimmen
Des ochtends, na een' duistren nacht,
En eindelijk met nieuwe pracht
Het koestrend zonlicht aan de kimmen.
EINDE.