Toen gij nog kruipend rupsje waart,
Was reeds een wispelturige aard,
U, ligte Vlinder! aangeboren;
Naauw hebt ge uw dorre schil verloren,
Of zie! gij rekt uw wiekjes uit;
Het eêlste bloembed wordt uw buit:
In d'Ether zoekt ge 't pad der vlindren,
Geen band kan uwe vaart meer hindren.
Dit is uw beeld, mijn edle geest!
Gij zijt aan 't stof geboeid geweest;
Naauw slaakt de rede dezen kluister,
En licht u voor met fakkel-luister
Of zie! gij streeft naar hooger lucht;
Geen stervling stuit uw edle vlugt;
Gij zweeft, gij streeft tot in den hoogen
Door 't bovenzinlijk denkvermogen.