'k Beklaag geen os, die 't juk moet dragen,
Al zuchtend in 't gareel geslagen;
Het ros, waarop gij rustig zit,
Dient gij te breidlen door 't gebit;
De slaafsche geest, aan 't lastdier eigen,
Doet het gedwee naar 't dienstwerk neigen;
Maar de aadlaar, die door 't luchtruim zweeft,
Volvoert zijn vrije vlugt..... of sneeft.
Zoo kan 't bezielend kunstvermogen
In de edle vlucht geen band gedoogen.
Door hem, die elken zwaai van 't lot
Bestuurt, dien vaderlijken God,
Die Neerland u, en u uw vrinden
Gelukkig heeft doen weder vinden,
Door hem werd kunst en vaderland
Gebragt in meer volmaakten, stand.