[I]
De rook steeg vriendlijk uit de schouw,
En teekende, bij 't avondgraauw,
Zijn krinklend blaauw
Op 't donkergroen gebladert,
Waartusschen Huiberts woning lag,
Die, na een doorgezwoegden dag,
Zijn krijtwit huisje nadert.
Hij was van arm maar eerlijk bloed;
Zijn Klaartje, als hij, niet rijk in goed
Maar vroom en vroed,
Al bragt zij schat noch have.
Haar liefde en jonkheid was zijn troost;
En in haar Huibert en haar kroost
Zag zij Gods beste gave.
Zij gingen vroeg gearmd als paar;
En sinds zij trouwden met elkaâr
Bragt ieder jaar
Hun nieuwen huwlijkszegen!
Zóó wies de kring, en was nu al
Geklommen tot een negental,
En - bleef het maar bij negen!