Bl. 187.
Zomermaand, 1866.
Dit vers behelst de uitstorting mijns gevoels, toen de opkomende en snel toenemende Cholera-epidemie, welke Utrecht zwaarder dan eenige andere stad onzes Vaderlands heeft geteisterd, met de uitbarsting van den krijg zich vereenigde om den geest met de somberste gedachten te vervullen. De treurige omstandigheden der tijden, die toen met elken dag nog treuriger en donkerder dreigden te worden, zijn mede oorzaak geweest, dat ik, In overleg met mijn geachten uitgever, besloot de uitgave van den bundel, die toen reeds genoegzaam was afgedrukt, ettelijke weken te doen vertragen. Hierdoor werd ik in staat gesteld ook het laatste, toen pas vervaardigde gedicht nog in mijn derden bundel op te nemen.