II.
Lied op de onschuldige kinderen.
Gegroet, gij bloemen, die, bij 's levens uchtendblozen,
Bezweekt voor 's dwingelands geweld!
Die (als een wervelwind de versch ontloken rozen)
Het moordend staal heeft neergeveld.
Gij, eerstling-vrucht in d' oogst van Christus' martelaren,
Ter dood gewijde kinderschaar!
Met palmen in de hand en kransen in de haren,
Speelt gij voor 't rookend brandaltaar.
Herodes hoorde 't woord en sidderde op zijn zetel:
‘Geboren is de Vorst der aard!’
Dáár rijst hij grimmig op, spreekt dreigend en vermetel:
‘Trawanten grijpt, ontbloot het zwaard!’
‘Spoort elken zuigling op! Doet al de jongskens sterven!
Scheurt hen der voedsters van den schoot!
Geen moederklacht of list doe hun gena verwerven,
Niet één ontkome er aan den dood!’
Met moord in vuist en blik, ontrefbaar voor gebeden,
Genaakt Herodes' beulenstoet,
Doorboort het wichtje, pas den moederschoot ontgleden,
En wroet in 't lijk en plast in bloed.
Waartoe, tiran! dien moord u op de ziel geladen?
Laat bruisen vrij die zee van bloed!
't Is vruchtloos wat ge ook poogt, den Christus Gods te schaden,
Door de Almacht in 't gevaar behoed!
Zóó ook ontkwam, ten spijt van Pharo's snoode lagen,
Jochébeth's zoon aan 't wreed bevel;
Hij, die als zuigling 't beeld van Christus heeft gedragen,
En redder werd van Israël.
Naar het Latijn van PRUDENTIUS.