VI.
Onder het portret
Van den hoogleeraar W.A. van Hengel.
Eene achtbre kruin, besneeuwd met bijkans honderd jaren,
Die, hoe gekroond met lauwerblâren,
Zich nooit met trotschheid hief omhoog,
Noch onder 't wicht van 't leed zich moedloos nederboog;
Een onbewolkt gelaat, welks held're glimlach toonde,
Wat liefde en eenvoud saam er in dat harte woonde;
Een schrander peinzend oog, waarin de lichtvonk speelt,
Die aan 't gewijde blad meer licht heeft toegedeeld;
Een late herfst, die nog de rijkste vrucht bleef dragen;
Een zomer, die nog duurde in 's levens winterdagen; -
Wien maalt dit voor ons oog? - Van Hengel, 't is uw beeld!