Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 2

Bernard Haar

VII.

Bij de baar.

Broeders! treedt de lijkbaar nader! Brengt met diep ontroerd gemoed, Hem, dien wij ter rustplaats dragen, 't laatst vaarwel ten afscheidsgroet, Die verlost werd van de kwelling, die eene ijdele wereld baart, Maar zijn vrienden en zijn magen weenend achterliet op de aard. Ach! van allen, die wij minnen, rukt de dood ons eerlang af... Bidden wij, dat God dien doode vreedzaam sluimren doe in 't graf!

Welk een scheiding, o mijn broedren! - Wat gejammer, welk een schrik! Als de stervensure dáár is! - Welk ontzettend oogenblik! - Ziet hem, wien de zerk zal dekken, die, nog gistren ons gelijk, Thans gehuisd in de enge woning, afdaalt in het duistre Rijk. Ach! van vrienden en van magen rukt de dood ons eerlang af... Bidden wij, dat God dien doode vreedzaam sluim'ren doe in 't graf!

Wat is dan ons aller leven dan een veldbloem broos en teêr? Ochtenddauw en morgennevel, die ras optrekt en niets meer! Leest het in dien open grafkuil! Wat is jeugd of levenskracht, 't Waas der schoonheid, of de lichtstraal, die uit minnende oogen lacht, Daar de dood het al verdwijnen en als 't gras verdorren doet? - Plengt uw tranen vrij, mijn broedren! valt daarmee den Heer te voet!

Nadert! sterflijke Adamszonen! Ziet hier en herkent uw beeld In dit lijk, 't verderf ten prooie, 't aas, waar ras 't gewormte in speelt! 't Ligt, niet meer voor 't oog begeerlijk, op zijn slaapstee uitgestrekt; 't Wordt, van duisternis omwikkeld, door den zandhoop toegedekt. - Broeders! eer wij van hem scheiden, bidden wij dien doode toe, Dat de Heer tot d' eeuwgen morgen zacht zijne assche sluimren doe!

Ziet in gindsche handvol aarde, broeders! 't eind van uw bestaan, 't Stof, waaruit Gods hand u vormde, 't oord, waar we allen henengaan! Wie is arm, wie rijk te noemen? - Wie blijft machtig? - Wie heet vrij? Gij zijt stof, stof zult gij worden, sterv'ling! wat uw naam ook zij! Ook de pas ontloken rozen strijkt de dood van 't frisch gelaat, 't Eerst verwijst hij tot verwelken, wat hier 't schoonst te bloeien staat!

Al de raadren van het uurwerk, straks bewogen, staan nu stil, Al de leden hangen roerloos, doof, gevoelloos voor den wil; 't Starrend oog is weggezonken; 't oor rust nu van 't hooren uit; De armen rusten als de voeten, die een ijz'ren boei omsluit; Eeuwge stilte omzweeft de lippen, als het eeuwig zwijgend graf! Zoo is alles, alles ijdel! - Sterv'ling, leg uw trotschheid af!

Als de ontbonden geest door d' Engel des gerichts wordt weggevoerd, Dan vergeet bij zelfs de dierbren, die zijn scheiding diep ontroert; Dan vergaat al wat hem boeide, zorg en vreugd en leed der aard, Daar hij slechts met huiv'rend wachten op 't ontzaglijk oordeel staart. Broeders! vreest dien heilgen Rechter! - Smeeken we in 't vereenigd lied, Dat Hij kwijtschelde aan den zondaar, wat in 't lichaam zij geschied!

Zalig, wie op U vertrouwen, Vaders hooggeloofde Zoon! Zon, die over 't graf blijft blinken! hoor ons smeeken vóór Uw troon! Voer de ziel van dien ontslaapne over naar de vrije kust, Waar al Uw verlosten wonen in het land der zaalge rust! Doe hem 's hemels schatten erven, d' uitverkoornen toegezeid! - Blink' zijn naam in 't boek des levens, in het Rijk der heerlijkheid!

Naar het Grieksch van JOANNES DAMASCENUS.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 2 · Bernard Haar · Poetry Cove