Bl. 204.
III. Alfred de Musset. Deze geniale schrijver en dichter, die, zelf krank naar den geest, wat er ziekelijks is in de richting onzes tijds zoo diep bleef gevoelen, en te midden zijner uitspattingen edeler adspiratiën behield, wordt hier sprekend ingevoerd, zooals hij in zijne Confessions d'un enfant du siècle’ en elders in zijne geschriften wer-kelijk gesproken heeft, als de type van een ongeloof, dat zich geenszins vijandig plaatst tegenover het Christendom, maar in vele opzichten althans zijne hooge voortreffelijkheid blijft erkennen. Inzonderheid had ik hier het oog op de plaats, welke bij Julius Schmidt in diens ‘Geschichte der französischen Litteratur’, Th. II, S. 282, vertaald wordt wedergegeven.
In de drie volgende stukjes heb ik den verschillenden en strijdigen reflex geschetst, dien de groote beweging onzes tijds, naar het geheel verschillend standpunt der beschouwers, noodwendig in de gemoederen moet achterlaten; zooals deze door velen met geestdrift wordt begroet als het morgenrood van een nieuwen, veel schooner dag - door velen als ondergang dreigende aan Christendom en Kerk met bange bekommering wordt gadegeslagen en betreurd; door velen eindelijk, die de gestrengste richting op kerkelijk gebied zijn toegedaan, wordt beschouwd en uitgelegd als de voorbode van Christus' naderende wederkomst. In de drieregelige strophen aan het einde van het zesde stukje vindt men, met eenige bekorting en geringe verandering, eene vrij getrouwe vertaling van het beroemde latijnsche kerklied: ‘Dies irae’, hetwelk zich hier te gepaster aansloot, omdat ik, bij den strijd onzer dagen, ook aan de oude Moederkerk niet geheel het woord wilde ontzeggen.
Cookies on Poetry Cove