IV.
Gegroet, o needrig Kruis! Uw vriendlijk vredeteeken Voegde op het dak dier bidkapel En op het graf dier armen wel, Om van geloof en hoop voor 't lijdend hart te spreken, Die in het blinkend logenschrift, Aan 't sneeuwwit marmer ingegrift, Dier tomben - ach, te veel! - ontbreken. Dat kruis - dat hier vermolmt in stuivend kerkhofzand, En ginds, hoog in de lucht geheven, Als op de wolken staat geschreven, Op Nôtre-Dame's spits geplant, Schoon 't op dier templen tin den storm der eeuwen tartte - Wie draagt het, met het beeld van Christus, nog in 't harte?
Gij antwoordt niet! Niets stoort u in uw rust, Gij dooden! - Spreekt, gij zerken, die in 't ronde Verspreid ligt! - Heeft de dood hen zacht op 't oog gekust, En dauwde er vrede en rust nog op hun stervenssponde? - Gij zwijgt of tuigt van hopelooze smart, Verdorde vreugd, of 't lijden veler zielen, Die stervend aan een vroeg gebroken hart, In 's levens bloei den dood in de armen vielen; Gij schetst een ga, die bij een lijkbus weent En bidt, dat ras de Dood ook haar ten offer kieze, Haar sluimren doe hij 't haar geliefd gebeent', Als Abelard en Héloise, Hier door den Dood vereend In 't eigen grafgesteent'.
Geen hoop des wederziens komt hier 't gemoed verteedren, Als de Engel, die in witte kleedren Het graf bewaakt, en 't oog, verdonkerd door een traan, Gebiedt ten hemel op te slaan. Geen voorgevoel van eeuwig leven, Geen zegetoon op dood en graf, Zie 'k op uw graven hier geschreven; Geen loflied boven 't stof der dooden aangeheven, Om d' Overwinnaar eer te geven, Die aan den Dood den doodsteek gaf.
‘Zoo wie in Mij gelooft, zal leven, schoon gestorven!’ O zaalge hoop, door Hem verworven! Volzinnig opschrift, dat zoo schoon en lieflijk luidt, Om 't hoofd van wie hier moedloos treuren, Hoe diepgebogen, op te beuren, Waar zich de poorte van dit veld des doods ontsluit! Helaas! wat doet den troost ons merken, Dien dit geloove in 't hart kon werken? - De koude taal der smart, gesproken door die zerken, Wischt dat gezegend troostwoord uit!
Alsof geen macht des tijds metaal of marmer sloope, Bouwt gij hier templen ter vergoding van uw trots - Parijs! - ach, rijk in pracht, maar arm als gij, in hope, Is ook uw akker Gods!
Cookies on Poetry Cove