Bl. 283.
Vrouwenroeping.
In dit meer uitvoerig gedicht, heb ik eene van de meestbelangwekkende vragen onzes tijds, zoo niet rechtstreeks behandeld, dan toch van ter zijde aangeroerd. Duidelijk genoeg zal hieruit gebleken zijn, dat ik van eene emancipatie der vrouw gansch niet afkeerig ben, veel meer haar van geheeler harte toejuiche, voor zoover deze op het ware begrip van vrouw, en eene ware vereering van het vrouwelijke geslacht blijft gegrond. Hoe strijdig daarentegen de hier uitgedrukte gevoelens mogen bevonden worden met hetgeen in onze dagen door enkele drijvers of drijfsters dier emancipatie, aangaande de roeping en bestemming der vrouw, steeds luider en driftiger verkondigd wordt, zoo meen ik nog altijd voor de hier bloot gelegde denkbeelden bij de vrouw zelve, en in de harten onzer Nederlandsche Vrouwen en Moeders op de meeste sympathie te mogen rekenen.