Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 2

Bernard Haar

III.

En 't was, of 't voorgevoel van 't leed, In Wolfert's boezem zwol; Want hoe hij ook zijn smart verbeet, Toch schoot hem 't oog weer vol.

‘Hoort gij geen dof geluid daar weer, Dat telkens nader komt?’ - ‘“Neen, Vader! 't is 't geruisch van 't meer, Of de avondklok, die bromt!”’ -

‘Mijn hart wordt saamgeprangd, mijn kind! 't Is of er onweer broeit.’ - ‘“Neen, Vader! hoor den najaarswind, Die in 't noordwesten loeit!”’ -

‘Een najaarsstorm is Rolf, mijn kind! Hij spookt de landen kaal!’ - ‘“Zwijg, Vader! zoo ge uwe Ida mint: Iets schriklijks spelt uw taal.”’ -

‘Hoor toe, naakt ginds geen ruiterstoet, Of suist mij 't oor van schrik?’ - ‘“Hij is 't”, gilt ze uit, ‘“de storm, die woedt, En wat hij velt, ben ik!”’ -

‘“'t Is Rolf!”’ - Hier zweeg ze op 's ridders naam, Terwijl hare onrust klom;

Zij wrong van angst de handen saam, Waar 't paarlend zweet in glom.

Maar Wolfert tast verwoed naar 't zwaard, Doch vindt zijn tuigzaal woest; Zijn schild ligt saamgedeukt op de aard, En staal en scheê zijn roest.

Hij ijlt nochtans naar wal en poort, En hijscht de brug er voor; Doch vindt geen arm, die 't bolwerk schoort, - En ziet de lucht er door.

Nu dreunt de poort van knal op knal, En splijt en scheurt vaneen, En kneust en wondt hem in haar val, En spat in splinters heen.

De alarmkreet stijgt tot trans en top, Op 't daav'ren van dien schok; De klepel heft zich schuddend op In de oude torenklok.

Maar Wolfert, half van smart ontzind, Wacht nog den roover af; Zijn linkerhand rustte op zijn kind; Zijn rechter smeekte om straf.

‘Hoor toe,’ schreeuwt Rolf, vol schampren geest, ‘Reeds is uw Ida mijn. Dat luiden spelt ons bruiloftsfeest, Reeds morgen zal het zijn!’ -

‘“Die klok,”’ zegt Wolfert, ‘“dat gedruisch Luidt mijn begraafnis in; En morgen treft mijn vloek uw huis En waart om dak en tin;

En morgen, eer ge uw gruwlen viert, Rolt ook die galm bij u! En schoon ge uw klok met bloemen siert, Zij spelt een doode, als nu!”’ -

Hij zwijgt en hoort hoe Rolf hem vloekt; Nu schemert hem 't gezicht; En 't brekend oog, dat Ida zoekt, Sluit zich voor eeuwig dicht.

De zon lei juist haar avondgroet Aan 't rijzig bergslot af, En leende aan 't lijk haar purpergloed, Maar Rolf de kleur van 't graf.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 2 · Bernard Haar · Poetry Cove