II.
De vriendlijke Ida, 't jeugdig lot
Van Wolfert's ouden stam,
Was 's grijsaards eenge troost, naast God,
Sinds 't graf zijn gade nam.
Dit bloemke, reeds geliefd door elk,
Als halfvolbloeide knop,
Hief thans zijn pas ontsloten kelk
In pracht van kleuren op.
Haar onschuld lag in de oogen bloot,
Waar 't zachtste blauw in glom,
Geen roosje was zóó teer, als 't rood,
Dat langs haar koontje zwom.
Haar leest was tenger, 't mondje fijn;
De lelie minder wit
En glanzig, dan haar huidsatijn;
Haar ziel was blank als dit.
Het goud haalde in zijn schitt'ring niet
Bij 't levend goud en 't blond
Der lokken, die zij golven liet,
Of om haar slapen wond.
't Was, als men Ida naad'ren zag,
Of steeds de Vreugd verscheen,
Want altijd speelde een zoete lach
Haar om de lippen heen.
Zóó zag haar Rolf. Hoe vlamt zijn oog
Begeerig naar dien buit,
Dat hij haar ras omhelzen moog'
Als minnares of bruid!
Doch Ida wees den ridder af
Als minnaar en gemaal;
Want - zoo zij 't hartjen éénmaal gaf -
Nooit, aan een borst van staal!
Sinds kookte Rolf de hel in 't hart,
Ontvlamd in liefde en haat,
Door Ida' schoonheid aangesard
En d' opgekropten smaad.