Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 2

Bernard Haar

II.

De vriendlijke Ida, 't jeugdig lot Van Wolfert's ouden stam, Was 's grijsaards eenge troost, naast God, Sinds 't graf zijn gade nam.

Dit bloemke, reeds geliefd door elk, Als halfvolbloeide knop, Hief thans zijn pas ontsloten kelk In pracht van kleuren op.

Haar onschuld lag in de oogen bloot, Waar 't zachtste blauw in glom, Geen roosje was zóó teer, als 't rood, Dat langs haar koontje zwom.

Haar leest was tenger, 't mondje fijn; De lelie minder wit En glanzig, dan haar huidsatijn; Haar ziel was blank als dit.

Het goud haalde in zijn schitt'ring niet Bij 't levend goud en 't blond Der lokken, die zij golven liet, Of om haar slapen wond.

't Was, als men Ida naad'ren zag, Of steeds de Vreugd verscheen, Want altijd speelde een zoete lach Haar om de lippen heen.

Zóó zag haar Rolf. Hoe vlamt zijn oog Begeerig naar dien buit,

Dat hij haar ras omhelzen moog' Als minnares of bruid!

Doch Ida wees den ridder af Als minnaar en gemaal; Want - zoo zij 't hartjen éénmaal gaf - Nooit, aan een borst van staal!

Sinds kookte Rolf de hel in 't hart, Ontvlamd in liefde en haat, Door Ida' schoonheid aangesard En d' opgekropten smaad.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 2 · Bernard Haar · Poetry Cove