Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 2

Bernard Haar

II.

de ongehuwde.

Neen, zeg niet, 't schoonste doel des levens ging verloren Voor haar, wie nooit een gade als gâ mocht toebehooren, Wie nooit werd ingewijd in moedervreugde en smart! Een vrouw die lief heeft blijft zich rijk in liefde toonen, Al mocht de mirtenkrans haar nooit de slapen kronen, Al stierf ze aan een gebroken hart!

Een vrouw die lief heeft! - zie haar 't frisch en bloeiend leven, Waar menschenliefde smeekt, met vreugd ten offer geven, En volg haar naar de stulp, waar de armoê klaagt en lijdt! Zie, hoe ze, nachten door, blijft aan de sponde waken Des kranken, die dáár ijlt met koortsvlam op de kaken, En hem haar teêrste zorgen wijdt!

Zie met den zachten dauw van 't medelij' in de oogen Haar bij des lijders kribbe in 't Lazaret gebogen, Waarboven 't Roode Kruis in 't wapprend vaandel zwiert; Hoe ze elken schrik des doods leert als heldin verdragen; Hoe zij de wonden heelt, door 't mannenzwaard geslagen, En zóó triumf op 't slagveld viert!

O breid haar werkkring uit! - Gun, waar haar vleuglen groeien, Haar die te ontplooien, en het luchtruim door te roeien Op hooger wiek! - Hergeef haar de eerplaats naast den man! Toch zoekt zij 't liefst haar plaats bij schaamlen en verleegnen, Waar ze in steeds wijder kring door helpen, redden, zeegnen, Den drang der liefde volgen kan.

Wie houdt nog 't meest de vrouw in haar verheffing tegen? - De onvrouwlijke Amazone, op 't wilde ros gestegen,

Die vrij van elken band en teugel zich verklaart; Die in een woest galop onstuimig voort blijft jagen, Haar rijzweep zwierend en elk dreigend met haar slagen, Die haar wil stuiten in haar vaart.

De Vrouw blijf' Vrouw geheel, ook waar ze omhoog gedragen Op vleuglen van 't genie, de kluisters afgeslagen, Door 't schittrend rijk van licht en idealen zweeft; De Heer der schepping legt zijn hulde voor haar voeten, En zal op warmer toon der geestdrift haar begroeten, Hoe meer ze ook dan beminlijks heeft.

Doch, hulde ook aan de vrouw, die stil en in 't verborgen Haar levenstaak voleindt, haar doornenkroon van zorgen Uit liefde willig draagt en nooit van d' arbeid rust! Wie, aan haar roeping trouw, steeds met haar roeping rekent, Vindt ook haar adelbrief daarin door God geteekend, En blijft haar waarde en rang bewust.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 2 · Bernard Haar · Poetry Cove