Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 2

Bernard Haar

I.

de gehuwde.

O zalig, Jongling, rijk en zalig gij te schatten! Zoo ge iets zóó lieflijks in de jonkvrouw mocht omvatten, Die U met zoeten blos als bruid in de armen hing! Gezegend de Echtgenoot, die zulk een vrouw tot gade, Als rijkste Hemelgift bij 's levens ongenade, Als troostende Engel Gods, ontving!

Om 't moede en peinzend hoofd vlecht zij hem liefderozen, Die frisch en geurig tot in 's levens winter blozen; Zij, zwakke in kracht, beschaamt hem vaak in lijdensmoed; Door zachtheid en geduld buigt zij zijn trotschheid neder; Zij roept hem tot geloof en hoop en liefde weder, Waar 't koel verstand hem twijflen doet.

Ja, zalig is het haar geheel voor hem te leven, Wien zij zich zelv' met al haar liefde heeft gegeven, Aan wiens getrouwe borst ze, als gade, veilig rust; Maar dubbel zalig zij, wat vlijmend wee haar griefde, Als zij het heilig pand der echtelijke liefde In moederlijke omarming kust!

Veel schoons aanschouwde ik, in bewondring opgetogen; Verrukking lokte soms de tranen mij in de oogen, Bij 't prachtig schouwtooneel, dat mij de schepping bood; Maar 't heerlijkst schouwspel, dat mijn blikken 't minst verzaadde, Het was een moeder - 't was mijn pas herstelde gade, Met d' eersten zuigling op haar schoot.

O weelde, die nog vaak de erinring ons blijft schenken, Van duizend teederheên, bij 't naamloos zoet herdenken, Wie onze Moeder voor haar kindren was weleer! Wie d' eerbied voor de vrouw als jongling heeft verloren, Van vrouwenadel noch van vrouwendeugd wil hooren, Zonk diep - of heeft geen Moeder meer!

Hoe meenge moedernaam staat naast der helden glorie Geboekt, vereeuwigd door de veder der Historie! Wie spreekt den zegen uit, der menschheid aangebracht Door moederlijke liefde en moederlijke trouwe, Of al 't verheven schoon der roeping van de vrouwe Tot vorming van een nieuw geslacht?

Gaat voor ons nakroost nog een beetre toekomst blinken, Of is de levenszon der volken snel aan 't zinken? Wacht ons verheffing of bedreigt ons dieper val? Gij, Moeders, waakt en strijdt met tranen en gebeden! Bij U rust meê 't geheim, wat toekomst uit het heden, En door uw zonen, worden zal!

Wis, zoo het hart des mans door ongeloof versteende, Zijn smart geen traan meer vond of zonder hope weende, En 't bidden, voor altijd, als zinloos, werd verzaakt; Zoo 't laatste puin verstoof van kerken en altaren, Dan bleef het moederoog nog biddend opwaarts staren, En 't laatst gebed op aard werd door een vrouw geslaakt!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 2 · Bernard Haar · Poetry Cove