III
Aan een bruidegom en bruid.
Met twee zuurvaasjes.
Wat vriendschap u heeft toegedacht
Is 't beeld wat u in 't huwlijk wacht;
't Blijft zoet en zuur, en zuur en zoet,
Wat ieder echtpaar deelen moet;
Maar deelt ge ook samen zoet en zuur,
Het blijve u smaken op den duur!
En ziet ge dan elkander aan,
Als op uw disch die vaasjes staan,
In 't huislijk middaguur -
Dan zij en blijve uw glimlach zoet!
Maar wat ge ook doet
Of u ontmoet,
Hoort, kort en goed,
Kijkt nimmer zuur!