Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 2

Bernard Haar

III.

De ijsgang.

Dáár lag de Ohio vaal en grijs, Van boord tot boord gestremd; Een breed pantsier van schubbig ijs Hield hem de borst omklemd. Maar - ‘'k draag geen boei der slavernij,’ Zoo bromde en gromde en brulde hij, En, steigrend met herhaalden ruk, Sloeg hij zijn keetnen stuk.

En dondrend scheurt het ijs vaneen; De stroom gulpt door het slop, En smijt de schotsen om zich heen, Of kruit ze in heuv'len op, Bouwt torens, werpt die keer op keer, Gelijk een kind zijn speelgoed, neer, En beukt ze met zijn golfgebruis Tot fijn versplinterd gruis.

Toch blijft, zoo ver het oog zich strekt, De hooggezwollen stroom Met log en zwalpend ijs bedekt Tot d' andren oeverzoom; En dáár en ginds, waar 't werkt en kruit, Steekt nog een puntige ijsklomp uit, Alsof van een gezonken wrak De spits nog boven stak.

Dat schouwspel staarde Eliza aan, En 't hart bestierf van schrik; Haar laatste hoop voelt ze ondergaan In d' eigen oogenblik. -

Geen aak, die zich van d' oever waagt, Terwijl zóó wild nog de ijsgang jaagt, En rustend ligt de dampboot stil Met de ijskorst om haar spil.

Wanhopig slaat zij de oogen rond, Nu toeft geen redding meer; Bezwijmend zinkt zij op den grond, En naast haar liev'ling neer, Die, half van 't groot gevaar bewust, Luid schreiend 't klamme voorhoofd kust, Tot ze opschrikt, tastend of zij 't kind Wel aan haar zijde vindt.

Dáár nadert de aangestoven bent, Op 't witgeruigde ros; De drijver heeft zijn prooi herkend, En laat de teugels los. Hij spalkt zijn klauwen als de gier, - ‘“Slavin! uw kind is mijn - geef hier! Meen niet, dat worstlen baten zou, Geef hier uw kind, o vrouw!”’

‘Mijn kind? - o God! waarheen, waarheen? Waar nu in d' angst gevloôn?’ Rest hier nog hulp of uitkomst? Neen, Voor haar noch voor haar zoon! Toch vergt de doodsangst een besluit. - ‘Ik geef mijn kind niet!’ gilt zij uit En, zich verheffend bij dien gil, Springt ze af in 't diep der kil.

Dáár staat ze, en meet met rollend oog, Dat doorpeilt tot den boôm, Terwijl zij 't kind op de armen woog, Het ijsvlak langs den stroom. ‘Neen’, schreeuwt ze, ‘'k sta mijn kind niet af, Al wordt die stroom ons beider graf! - Geef, Hemel, geef nu moed en kracht!’ Zóó zucht en bidt zij zacht.

Zij waagt den voet op 't glibb'rig pad, En de ijsschol schudt en kraakt, En plompt en kentert, waar zij trad, Pas door haar teen geraakt. Toch springt zij voort van schots op schots, Gelijk een gems van rots op rots, En de afgrond loeit bij ieder tred, Waar zij haar voetzool zet.

De vlokken dwarlen om haar heen, En feller blaast de wind; Het deert haar niet, zij kermt alleen: ‘O God, behoud mijn kind!’ Met ieder indruk van haar voet Verft zij de sneeuw en 't ijs met bloed, En 't kleed, de scherven langs gesleurd, Is half van 't lijf gescheurd.

Toch zweeft zij voort, alsof haar voet Met vlerken was geschoeid, Waarmee de meeuw zich langs den vloed En door het luchtruim roeit; Als baande haar een wonderstaf Het voetpad over 't watergraf; Alsof de sneeuwstorm, die er joeg, Haar op zijn wolken droeg.

Opeens - dáár staat zij duiz'lend stil; Waar is zij? - zij verdween. Klonk dáár geen rauwe kreet - geen gil? Is zij verzwolgen? Neen! Weer staat zij op dien ijsklomp dáár, Met wapp'rend kleed en fladd'rend haar, En de arm, gebogen om haar borst, Toont, dat zij 't kind nog torscht.

En naakt dáár niet reeds de oeverkant? Is niet de zoom nabij? En wuift en rekt zich niet een hand Haar toe van de overzij?

Één sprong, één sprong dient nog gewaagd, Die al de kracht der wanhoop vraagt! Één sprong! - Daar stort ze op 't oeverbed; Godlof! zij is gered.

Hef, moeder! thans uw kind omhoog! 't Is uw verworven buit! Galm met een vreugdetraan in 't oog Uwe overwinning uit! Uw losprijs is betaald, slavin! Elk moeder juicht U toe, heldin! En vlecht een dubb'le vrijheidskroon Voor u en voor uw zoon!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 2 · Bernard Haar · Poetry Cove