Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 2

Bernard Haar

II.

De vlucht.

Schuw glijdt zij, als een schaduw, voort - De vluchtling met haar zoon. Hoe vindt zij thans een veilger oord Ter schuilplaats of ter woon? 't Was donker nog, maar aan den trans Verschoot allengs der sterren glans, En langzaam rees met flauwen lach De nieuwgeboren dag.

De rijm had alles wit gehuifd, En stoof als asch langs de aard;

Het dennenwoud stond hooggekuifd, Met kegels aan zijn baard. Een schat van paarlen en juweel Lag uitgestrooid langs 't boschstruweel, En iedre heester, tak of haag Droeg thans een zilv'ren kraag.

Eliza siddert, nu zij hoort Hoe iedre voetstap kraakt; Toch vlucht zij verder, altijd voort, Daar de angst haar vleuglen maakt. En toen het daglicht helder glom, Toen zag zij telkens schichtig om, En kuste dan den lieveling, Die in hare armen hing.

- ‘“Ik mag wel slapen, moeder, zeg! Ik ben van 't waken moe, En als ik zóó mijn hoofdje leg, Dan vallen de oogjes toe. Maar als ik slaap, komt dan de man, Die me uit uwe armen stelen kan? Dan geeft ge uw Harry toch niet weg? - Zeg, lieve moeder, zeg!”’

- ‘Neen, kind! ik laat u, zoo hij kwam, Niet over aan uw lot. 'k Zal u beschermen, schuldloos lam! Zoo waarlijk help' mij God! - Al doemde 't lot mij tot slavin, Quadroon, gij wordt een boschleeuwin! Wee, die er aan haar welpen raakt! - - Slaap, Harry! moeder waakt.’ -

En 't knaapje, dat nu vriendlijk lacht, Slaapt in en sluimert zoet; Die aanblik staalt en sterkt haar kracht, En doet haar 't harte goed. Al raast en snijdt en snerpt de wind, Zij voelt slechts d' adem van haar kind, En hoe zijn armpje, warm en malsch, Zich strengelt om haar hals.

Zij klemt het dichter aan haar borst, En - hangt het loodzwaar neer - De last, dien zij zóó willig torscht, Wordt licht gelijk een veer. Dan weder slaat zij 't weenend oog Van 't slapend kind tot God omhoog, En fluistert: ‘Heer, bescherm mijn vlucht!’ Dat geeft haar boezem lucht.

Soms rust zij, aan een schuur geleund, Dan staart zij angstig rond, En luistert of geen voetstap dreunt Langs den bevrozen grond; Of niet een bloedhond snuff'lend speurt, Die met één sprong haar 't kind ontscheurt; Dan jaagt zij weer, door schrik gespoord, Haar zoon in de armen, voort.

Maar de uitgeputte kracht bezwijkt, En 't knaapje lonkt haar toe, Terwijl 't haar diep in de oogen kijkt: - ‘“Ik kan wel loopen, moe!”’ - Zij zet het neer, en 't huppelt blij, En houdt een poos haar voetstap bij; Toch merkt zij ras, hoe zij haar spoed Om 't kind vertragen moet.

En als zij 't opneemt in haar schoot, En koestert in haar arm; Dan kust zij wel de kaakjes rood, Maar 't bibb'rend kind niet warm; En als 't zóó bitter klaagt en krijt, Omdat het koude en honger lijdt, Dan is ze op teedre list bedacht Tot stilling van die klacht.

‘Zie, hoe ik hier een appel vond Met hooggekleurde wang!’ - Zóó roept ze en kaatst dien langs den grond: - ‘Loop schielijk, Harry, vang!’ En de appel hupt en danst vooruit, En 't jongske giert van blijdschap luid,

En vleit: - ‘“Och, doe het nog eens weer!”’ En weent of klaagt niet meer.

Zóó wordt de weg voor 't kind verkort, Al valt hij eindloos lang; Zóó wordt weer moed haar ingestort, Al blijft de toekomst bang; En toen zij, met zijn zoetsten lach, Haar Harry d' appel volgen zag, Toen brak een glimlach naar het scheen, Nog door haar tranen heen.

Reeds naakt zij 't doeleind van haar vlucht, Dat telkens nader spoedt. Één mijl voorbij het dorpsgehucht - Dáár bruist de Ohio-vloed. Dáár ligt de weg naar Kanada, Dáár jaagt haar geen vervolger na, Dáár staat de grens der slavernij, Dáár aâmt een moeder vrij.

En ligt niet - waar die rookwolk jaagt, Zich kronklend door de lucht - De boot, die straks haar overdraagt In snelle vogelvlucht? Voor 't laatst - nog ééns haar tred versneld! Hoe reeds haar borst van weelde zwelt! Dan kruist ze Ohio's waterbed! Dan is haar zoon gered!

Zie, hoe de moede wagg'lend hijgt, Nu zij aan d' oeverkant Het overhangend klif bestijgt, Dat uitspringt aan den rand. - Wat schrikbeeld rijst daar voor haar geest? God! is haar hoop een droom geweest? Wat spooksel zweeft dáár langs den vloed, Dat zóó haar sidd'ren doet?

Zij staart met wijd gespalkten blik En half vertrokken mond, Versteend en spraakloos door den schrik,

Nu al haar hoop verzwond. ‘Erbarming!’ snikt ze, ‘in 's Heilands naam!’ En slaat omhoog de handen saam, Van smart verbijsterd en ontzind: ‘Erbarming voor mijn kind!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 2 · Bernard Haar · Poetry Cove