Bl. 255.
Afscheidsgroet aan mijne leerlingen en vrienden, enz.
uitgesproken 17 December 1874, tot beantwoording van het hartelijke woord des afscheids, dat door onderscheidene commissiën tot mij was gericht geworden.
Dan staart gij het prachtig gedenkstuk dáár aan,
Dat thans uwe vriendschap deed rijzen.
Het kostbare geschenk ia hiermede bedoeld, dat mij bij die gelegenheid door mijne voormalige en toenmalige leerlingen is aangeboden, bestaande in eene prachtige en kolossale boekenkast, waarvan toen reeds de teekening mij werd voorgelegd, en welke thans op het buitenverblijf, dat mijne woonplaats is geworden, mijn studeervertrek tot het grootste sieraad verstrekt. Meerdere bijzonderheden, aangaande deze voor mij onvergetelijke ure, heb ik medegedeeld in het Naschrift van de toen door mij gehouden: Afscheidsrede. (Arnhem, Gouda Quint, 1875.)