IV.
Daar reed graaf Rolf te middernacht, Nu flauw het maanlicht scheen, Met Ida als zijn buit bevracht, Naar 't graaflijk erfgoed heen.
Reeds trok de dag de neev'len op, Waardoor weer 't zonlicht brak; Reeds blonk van ver de torentop, Waaruit een wimpel stak.
Reeds naakt het einde van den tocht; Reeds klinkt een luid hoezee, Bij 't wijken van de laatste bocht, De slotklok galmde mee.
‘Voer hier,’ roept Rolf vol geestdrift uit, ‘Voer hier mijn buit zóó rijk!’ Hij klemt ze in d'arm, maar niet zijn bruid, Niet Ida, maar haar lijk.
Nu rijst hem 't haar te berg van schrik; Hij laat zijn offer los; Verbleekt en staroogt hol van blik, En viert den toom aan 't ros.
Dáár stuift hij stoet en schildknaap voor, Merkt gang of spoor niet meer; Zijn helmpluim golft den luchtstroom door, En laat er vlok en veer.
Hoor! de aarde dreunt van 't hoefgeklots! 't Is 't kraken van zijn graf; Hij gonst langs de afgrondskloof der rots, En stort er duiz'lend af.
De rots, gebrokkeld op die stee, Week voor des kleppers hoef, En voerde gruis en steenklomp mee, Dat 's ridders lijk begroef.
Nu werd er met verslagen geest En dof en lang geluid; Maar ieder hoort, dat dit geen feest, Maar dood en rouw beduidt.
De priester wijst op 't vreeslijk graf, (En al wie 't aanziet beeft!) En fluistert van des Hemels straf - Hoe God gevonnist heeft!
Het dof muziek der lijkmis zweeg En 't aaklig klokgebrom! Nu staat het grijze bergslot leeg; - De torenklok bleef stom.
Cookies on Poetry Cove