IV.
Alleenspraak van satan.
O smart, o woede! 'k zie een nieuw geslacht ontsproten, 't Mij haatlijk menschenras gezeteld op mijn troon! Ik eertijds machtig, ik blijf balling en verstooten, En hij, de zoon des stofs, erft ras mijn rang en kroon! De Hemel daalde op aard! De mensch, uit leem geboren, Heerscht hier als Oppervorst, en onze macht heeft uit! Maar neen! De grootste macht ging niet voor mij verloren, Zij, die 't vermogen tot verderven in zich sluit! Geen uitstel duldt mijn wraak! 'k Wil in deze oogenblikken Hun onervaren hart, dat vrees noch argwaan voedt, In onschulds eerste vreugd, met zoet gevlei omstrikken, Mijn pijlen domp'len in hun onbewaakt gemoed! - 't Is beter nu, dat zij te zaam hunne onschuld derven, Eer een onsterflijk kroost onzondig zij gebaard! In d' eerstling van zijn stam doem ik den mensch tot sterven, 'k Wil niet, dat iets wat leeft, onsterflijk zij op de aard! Hij, die hun 't leven schenkt, doe ook zijn kindren sneven Door 't zaad des doods! Zoo tref ik aller hoofd in één! - Geen wortel, half doorknaagd, zal frissche blaadren geven, Verworpen als ik ben, blijft dit mijn troost alleen! Zoo 'k niet met driest geweld de Heemlen kan bespringen, - De toegang, mij versperd, zich niet weer oopnen zal! 'k Wil ook aan 't aardsch geslacht die zaligheid ontwringen, De Heemlen sluiten - o, min vreeslijk wordt mijn val, En draaglijk mij 't gemis van wat ik heb verloren, Zoo 'k hen doe vallen en verwijder van hun God; Zoo 'k hen in de eeuwge pijn, die ik mij zie beschoren, Met mij zie lijden en doe deelen in mijn lot! -
Naar het Latijn van AVITUS.
Cookies on Poetry Cove