In Aliede's album,
na hare eerste avondmaalsviering.
Wat treedt gij rijk gezegend Den nieuwen jaarkring in! De harptoon veler Psalmen Mag U door 't harte galmen: Zóó lieflijk is 't begin!
‘Mij zal geen kwaad weervaren!’ Dit mocht uw juichtoon zijn. De winter spann' zijn tente - 't Is in uw ziele lente En heldre zonneschijn.
Dat was een heilige ure! Schoorvoetend tradt gij aan: Stil biddend zat gij neder, Maar dankend zijt gij weder Bij 't ‘Amen’ opgestaan!
Gij hieft voor 't eerst den beker Der schuldvergiffenis, En 't brood voor u gebroken, Heeft plechtig toen gesproken, Dat God Uw Vader is.
De wijn, U 't eerst geschonken, Geplengd uit zilvren schaal, Sprak tot U: ‘Neem dien beker! Blijf van Mijn liefde zeker!’ 't Was 's Heilands eigen taal!
Gij knieldet bij Zijn kribbe; Ge omhelsdet thans Zijn kruis; Gij ziet Gods Hemel open: Gij weet, wat gij moogt hopen In 't heerlijk Vaderhuis.
Gij weet, waarheen na 't strijden Uw lieve moeder ging, Die - hoort ze uw vader danken - Licht saamstemt met zijn klanken, Als zaalge hemeling.
Wel voelt hij 't dieper heden: ‘Ik heb geen gade meer!’ Maar sluit hij U in de armen, Dan looft hij Gods erbarmen: ‘Dank voor die dochter, Heer!’
Hij zegt: ‘O! 'k weet, Aliede, Gij mint uw vader teer! Wien hebt ge op aard nog nader?... Maar God! God zelf... Uw vader! Kind! dat zegt eindloos meer!’ -
O! 't blijve u goed en zalig En onuitspreeklijk zoet, Na lang vervlogen jaren, Nog op dit uur te staren, Gelijk gij 't heden doet!
Hoe U de wereld vleie Met haar verganklijk schoon, Wat vreugd U de aarde biede... ‘Houd wat gij hebt!’ Aliede! En ‘Niemand neme uw kroon!’
Cookies on Poetry Cove