II.
Hoort gij dat tergend lied? - 't Geldt mij, mij Abd-el-Kader, Mij, d' Emir, die, met meer dan koningsmacht omkleed, En 't priesterlijke bloed eens Marabouts in de ader, De worstling heb gewaagd voor God en zijn Profeet,
Met de ongeloovigen en Frankrijk's heerschappije: Ik ben die aadlaar! Ik die Barbarijsche leeuw, Die brullend antwoord gaf in Bora's woestenije Op 't dondrend krijgsgeschreeuw!
Ik, hoogvereerd, gevleid door slaven en vazallen! Ik, vrij, gelijk de wind die langs mijn bergen giert! Ik, als de zendling Gods in 't dichtrenlied gevierd! Ik ben die flonkerster, van 's Hemels trans gevallen. Ik blijf hier aan de smart, die mij verteert, ter prooi, Omringd en aangegaapt door wachters en soldaten, Gelijk een roofdier, dat men opving in mijn Staten, En opsluit in een kooi!
Aumale! Is dit uw trouw? Werdt ge eer- en plichtverrader? - Is dit uw vriendschapsblijk? Gij huichlend legerhoofd! - Of heugt u beiden 't niet, wat gij aan Abd-el-Kader, Toen hij zijn heupzwaard aan u afstond, hebt beloofd! Gij spraakt: ‘Behoud dat zwaard, verwonnen, blijft gij veilig! Heel Frankrijk eert den moed, waarvan uw boezem blaakt: Gij hebt ons krijgsmanswoord - dat woord is Frankrijk heilig - Dat ras uw kluisters slaakt!’
O! doet dat woord gestand! - Ik bedel geen verschooning: Mijn eisch is recht en trouw aan 't ridderlijke woord, Gelijk het toen door Aard en Hemel is gehoord. Ik smeek om geen gena: ik gruw van gunstbetooning, Maar eisch 't volbrengen van een dier bezworen plicht. De God, voor Wien ik kniel, verdelgt den logenspreker: Der Christnen God alleen - straft Hij geen woordverbreker? Acht Hij den meineed licht?
O, doet uw woord gestand! - Geeft mij mijn vrijheid weder, En 'k sta 't verloren erf - te lang verdedigd - af. Herneemt dit staal, ik leg mijn wapenrusting neder; Geen zwaard voegt aan mijn vuist, maar slechts de Derwisch-staf. 'k Zoek elders heul en troost voor de ongeneesbre wonden; Ik meng mijn brood met asch, en trek in 't pelgrimskleed Naar 't Oosten heen, en doe belijdnis van mijn zonden Bij 't graf van mijn Profeet!
Vergeefs geklaagd; vergeefs gerammeld met mijn keten; De naaglen opgescheurd aan 't zwaar gegrendeld slot!
Vergulde zaal! Gij blijft me een dompig kerkerkot, Al spreidt ge een zacht tapeet, waar ik ben neergezeten. Ik, vrije en fiere zoon van 't Afrikaansche strand, Zal hier gedoemd zijn steeds in ballingschap te zuchten, En nimmer drinkt mijn borst den vuurstroom uwer luchten, Mijn zinkend vaderland!
Voleindigt ras uw wraak! Snoert mij den rug met touwen! Meet de opgehoopte maat van al uw gruwlen vol! Ontsteelt mij 't licht der zon, hier haatlijk mij te aanschouwen! Sleept me als uw slaaf geboeid in 't diepste kerkerhol! Of plompt mij in het diep der Middellandsche waatren, En laat, gevloekt Parijs! met juilend vreugdgeschal Uw Marseillaise dan door al uw wijken schaatren, Om Abd-el-Kader's val.
Cookies on Poetry Cove