II.
Waar ben ik, in welk oord? Is dit Gods doodenakker, Waarlangs de voet slechts huiv'rend treedt, Als maakte 't ruischen van uw kleed Licht één van wie hier sluimren wakker? - Parijs! hoe opgepronkt en grootsch Maakt gij uw slaapvertrek des doods! Zoo ver het zoekend oog kan dwalen, Zie 'k steenkolossen, die als Mausoleums pralen,
Wier logge vracht den grond bezwaart, En 't blinkend wit van tomben stralen, In onafzienbre rij geschaard. 'k Zie kransen zonder tal van immortelles wieglen, En 't zilvren letterschrift in 't flikk'rend zonlicht spieglen, En bloemen rijk in 't rond gestrooid, Waarmee uw hand de graven tooit.
Waartoe die weelde en pracht om 't somber oord te sieren, Als trokt ge een doode bruid het grillig danskleed aan? Als mengdet gij zelfs hier een spotlach met een traan? Als boodt gij hier den Dood, waar zooveel kransen zwieren En zooveel eertropeeën staan, Een feest der overwinning aan?
Maar neen! Bewust van 't lot, dat u na luttel dagen Als iedren sterv'ling wacht, Wilt gij hier met den Dood, die om uw pogen lacht, Voor 't laatst nog eene worstling wagen. Gij wilt, schoon bukkend voor zijn kracht, Toch iets ontscheuren aan zijn macht! - Gij siddert voor der graven nacht! - Ge ontplooit de vleuglen niet om hemelwaarts te streven, Maar klemt u, in uw zucht naar 't leven, En voor vernietiging vervaard, Met doode knokk'len vast aan de aard! Gij wilt uw naam, uw beeld in marmer zien gedreven, Alsof uw kloppend hart in 't standbeeld voort kon leven, Alsof, wien zulk een grafzuil beidt, Geen nacht dekt der vergetelheid!
Gelijkheid was uw leus, die dondrend werd gesproken, Toen gij de grendlen der Bastille hebt verbroken; Gij streedt voor haar vol leeuwenmoed, De Jacobijnenmuts hoog in de lucht gestoken, Met vuisten, roodgeverfd van bloed! En - gij betwist haar voet voor voet, Daar gij die templen rijzen doet, Juist hier, waar ze in 't gebied der graven, In 't saâmvermengde stof van machtigen en slaven, Haar souverein gezag komt staven, Waar ze eeuwig heerscht en heerschen moet!
O dwaasheid! 't schijnbeeld nog van grootheid na te jagen, Waar al wat hoog is wordt verneêrd; Waar reeds het lijk tot stof verteert; Waar al de marmerpracht, die hier werd saamgedragen, Den worm niet uit de doodkist weert!
Wie hier in 't ronde staart, kan licht uw inborst weten. Parijs! - gij wist hoe ras de dooden zijn vergeten; Gij bouwt geen graven der Profeten, Maar 't hoogst de gloriezuil voor Frankrijk's helden op! En in de wuftheid uwer zinnen, Blijft gij den glans des roems en de ijdelheid beminnen, Tot aan uw laatsten harteklop! Die grafnaald is uw beeld! - al staren we opgetogen Uw trotsche gevels aan, hel schitt'rend voor onze oogen, O, eerste stad van 't Keizerrijk! Grij zijt, bij 't kankrend gif van uw verborgen wonden, O, stad des ongeloofs! met uw verniste zonden, Dat wit gepleisterd graf gelijk!
Cookies on Poetry Cove