IV.
De leeuw van Waterloo.
Rijs, uit metaal geklonken,
Rijs, Neêrland's Leeuw omhoog!
Spat snuivend vuur en vonken
Elk dwingeland in 't oog!
Sta dáár op 't graf der helden,
Hoog boven bosch en velden
Fier zwijgend in de lucht!
Waar God ons erf behoedde,
Oranje's schouder bloedde,
En de aadlaar is gevlucht.
Slaapt, Belgen en Bataven,
Wier bloed voor Neêrland vlood!
Slaapt dáár, in de eigen graven,
Vereend tot in den dood!
De wind, in 't loof aan 't spelen,
Zal beider rustplaats streelen,
Waait beider stof dooreen.
Ras golven korenaren,
Alsof het lauwren waren,
Langs beider graven heen.
Thans slaan wij lans en zwaarden
Tot spade en sikkels krom,
En drijven door de gaarden
Den ploegstaart knarsend om;
Maar zoo een dwingland daagde,
En weer ons erf belaagde,
En ijzren kluisters gaf:
Dan gorden wij de lenden,
En dwingen wij zijn benden
Te strijden op uw graf.
En gij, wier hoofden vielen,
Zult waren om ons heen,
En weer den strijd bezielen;
Nog met uw broedren één!
De Leeuw zal met zijn blikken
Des vijands arm verschrikken,
Bij 't klettrend krijgsgeschreeuw!
En wij, in 't staal gevlogen,
Wij kampen, wat wij mogen,
Of heffen dreigend de oogen
In 't sterven op den Leeuw!