III.
Verhef thans, needrig dak! uw bogen, Buig laag uw dorpel voor den voet Van hem, die hier de tranen drogen En rouw in vreugd herscheppen moet. Hij komt, de Heer, de Vorst van 't leven, Die, aangegord met de almacht Gods, De onwinbre macht des doods ten trots, Hem dwingt zijn prooi terug te geven.
Hij komt, Hij, in ontferming groot, Gewoon te redden en te zeegnen, Die, als zijn handpalm zich ontsloot, Een stroom van heil op de aard deed reegnen; Die 't hart, van boete of wee verplet, Zoo vaak van zaalge vreugd deed hupp'len, En troost en vreugde neer doet drupp'len, Waar Hij zijn voetzool nederzet.
Nu klinkt het door de sombre woning: ‘Wat weent en treurt ge als bij een lijk? Van hier die ijdle smartbetooning, Die klaagrenrei, die treurmuzijk! Neen, weeklaagt niet, alsof de wonde Reeds wijd en ongeneeslijk gaapt; Zij ligt te sluimren op haar sponde - Het dochterke is niet dood, maar slaapt!’
‘Niet dood?’ zóó gaat men spottend henen; ‘Niet dood?’ zoo vraagt de schampre lach, ‘Het kind, dat ieder sterven zag,
Welks vroeg gemis wij luid beweenen? - Ach, kranke troost bij bitt'ren rouw, Voor wie de schrikbre waarheid weten! Of moet haar dood een sluimring heeten?.... Wie is 't, die haar weer wekken zou?’
Maar Jezus, bij het lijk gebleven, Vat haar tot ijs verkilde hand, Hij spreekt - Wiens stem het ingewand Des grafs ontsteld doet antwoord geven; Wiens levenwekkend woord: ‘ontwaakt!’ Om voor 't Heelal zijn macht te staven, Al wie er sluimren in de graven, Eens uit hun doodsslaap wakker maakt.
Hij spreekt - en 't dochterke is verrezen! De levensblos keert op 't gelaat, Terwijl de pols veerkrachtig slaat, En de oogen schitt'ren als voordezen. Zij glimlacht zoet, en staart als één, Die uit verwarde en zaalge droomen Weer tot bewustheid is gekomen, En vragend rondziet om zich heen.
Dáár ligt ze aan 't oudrenhart geketend, Dat, overstelpt van vreugde en schrik, Den doorgeworstelde' angst vergetend Voor 't zaalge van dien oogenblik, Zich aan haar boezem vast blijft prangen, En hoort naar 't bonzen van haar hart, En d'aêm des levens op wil vangen, Waar zich hun adem mee verwart.
En Jezus' oog baadt in die weelde, En 't is Hem vreugde en dank genoeg; Hem, die de diepste wonde heelde, Maar van geen sterv'ling hulde vroeg. Hij wil geen lof van duizend tongen, Hoe schitt'rend zulk een glorie schijn' - Van 't godlijk vreugdgevoel doordrongen: Hier Redder van den dood te zijn!
Cookies on Poetry Cove