Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

De ongeloovige. I.

De opstanding.

De dag der glorie rees! Nooit had in 't dagend Oost, Van zaalger vreugdelach een uchtendstond gebloosd, Dan toen die morgen kwam, waar de eeuwen van gewagen, Die in der graven nacht de levenszon deed dagen; Die van de zuchtende aard het rouwfloers weg zou vagen, En allen, die nog 't rouwkleed dragen, Op 't graf van hun geliefden troost.

De Heer was opgestaan, terwijl Gods Engel daalde, Wien 't golvend bliksemvuur als gordelkleed omstraalde. En 't aardrijk beefde in dien ontzagtbren oogenblik: Maar 't was geen beven van ontzetting en van schrik, Als toen op Golgotha de Hemel mee ging treuren, Toen Gods geliefde aan 't vloekhout hong: 't Was 't daav'ren van den schok, toen 't rijk des doods zijn deuren Voelde uit de ontwrichte hengsels scheuren; 't Was siddering van vreugd, die 't hart der aard doordrong, Toen 't zegel van den grafsteen sprong.

De vorst des levens was bij 't ledig graf verschenen; Maria had geweend - als zaalgen zouden weenen, Als hen Gods Hemel gaat hereenen - Toen zij op diepgebogen kniên, Haar hulde 't eerst Hem aan mocht biên. Snel vloog de blijmaar rond na 't graf bezoek der vrouwen; Johannes had geloofd, nog eer hij mocht aanschouwen En 't klonk met blijden roep in 't midden der getrouwen: ‘Ook Simon heeft den Heer gezien!’

Dáár stond de Heilge Gods weer levend in hun midden; En 't jamm'ren en geween werd juichen en aanbidden: ‘Dit, dit is van den Heer geschied!’ Slechts Thomas, die aan 't oog der broedren zich ontscheurde, Die 't diepst van allen leed en zonder hope treurde - Slechts Thomas juichte niet.

II.

Thomas alleen.

Hij was, toen hij den Heer zag sterven, De stad ontvlucht, ontvlucht aan 't oord, Waar men zijn Heiland had vermoord; Doch, waar hij eenzaam rond mocht zwerven, Hij kon geen rust of troost verwerven, Schoon hij, met opgejaagden voet, Van vlek tot vlek was voortgespoed. Hij wilde alleen zijn met zijn smarte, Maar droeg alom de wond in 't harte, En de eigen kwelling in 't gemoed, Die hij door stâge mijmring voedt.

Dáár doolt hij door de palmendreven, Die 't naast Bethaniën omgeven, Om d'ingang van d'Olijvenhof; Zijn wang is bleek; zijn oog staat dof; Zijn tred is traag; zijn enkels beven; Zijn voetzool gloeit en brandt in 't stof; Diep blijft hij in zijn smart verloren; 't Olijfbosch bloeit niet als te voren, Al knopt en zwelt zijn vrucht in 't loof. Voor 't Psalmgezang der vooglenkoren, En 't murmlen van de Kedron doof, Neigt hij alleen onwillig de ooren, Als soms van 't stervend stadsgerucht Een flauwe galm trilt door de lucht. Dan waant hij 't ‘kruist hem!’ weer te hooren En, schoon het geurend koeltje suist, En om de palmentoppen zwatelt, 't Is hem of dan Gods donder ratelt, En om hem heen de stormwind bruist!

Wat doet opeens hem opwaarts schrikken? Wat glans bezielt zijn sombre blikken, Terwijl hij starend om zich ziet? - Hij hoort nabij een stem, een lied:

‘Gij zult bedroefd zijn, klaaglijk weenen, Maar op dit scheiden volgt hereenen; En als uw oog mij wederziet, Dan zal uw harte zich verblijden, En - als een vrouw na 't uur van strijden - Gedenkt gij 't doorgeworsteld lijden, De weeën uwer droefheid niet!’

III.

Thomas met Petrus en Johannes.

Wie zong dat lied? Vanwaar die stem? Maar reeds stond Petrus nevens hem; Johannes sluit hem in zijne armen: ‘Geloofd, geloofd zij Gods erbarmen! Mijn Didymus! heb ik u weer? Gedankt, geprezen zij de Heer! Hij leeft, Hij leeft, Hij is verrezen! Wij zijn geen vroeg verlaten weezen, Geen lamm'ren zonder Herder meer! Hoe? treurig slaat gij de oogen neer? Gij juicht niet met ons?’ - ‘Kan ik juichen Zoolang de smart, die mij verteert, Zóó diep mijn ziel blijft nederbuigen, Daar zelfs uw juublend vreugdbetuigen, Nog de angsten mijner ziel vermeert. Hij is in 't leven weergekeerd?! - O zaalge vreugd, maar ijdel hopen! Het bloed is uit zijn hart gedropen, Ik zag dat nederhangend hoofd, Maar 'k had Hem nog niet dood geloofd, Toen, eer ik van den Kruisberg spoedde, En 't oord van rouwe en schrik verliet, Een Romer nog in koelen bloede, Hem met een speer de zij' doorstiet. En Hij, die stierf aan 't kruis geklonken, Wiens lijk ras is tot stof vergaan...’

- ‘Is uit de dooden opgestaan! Hij is, Hij is ons weer geschonken! Reeds heeft zijn zaalge vredegroet Ons, als zijn jongren toegeklonken, En wij, aanbiddend neergezonken, Wij weenden tranen aan Zijn voet, Van hemelsche verrukking zoet!’

- ‘Gij zaagt Hem? gij... Ach, 't kan niet wezen! ô Vreeslijk moordend zelfbedrog! Uw vreugd doet mij voor waanzin vreezen!’

‘Hoe? Didymus! Gij twijfelt nog? En, zoo de Heer niet is verrezen, Wien meent ge, heeft ons oog gezien?’

‘Een Engel of Zijn geest misschien!’

- ‘Hij sprak: “Een geest heeft vleesch noch beenen,” Hij las die twijfling in 't gemoed; Hij wilde, als eertijds groot en goed, Zijn handen ter betasting leenen, En wees ons zijn doorgraven voet.’ -

‘Maar ook zijn diep doorgroefde zijde?... Gij zwijgt... gij gist niet wat ik lijde... Gij zaagt Hem, maar één oogenblik! Gij waart bedwelmd van vreugde en schrik. Gij hadt Hem vurig lief, als ik! Is Hij zijn' haatren ook verschenen. Verscheen Hij ook aan 't Sanhedrin? En trad hij reeds, tot schrik dier snooden, Als de Opgerezene uit de dooden, Vol majesteit den tempel in?’

‘Ach! kunt of wilt gij niet gelooven? Dan blijft er hoop noch troost voor u; Maar ons zult gij dien troost niet rooven! - Sprak snel en driftig Petrus nu - 'k Heb ook als gij geweend, geleden En lang geworsteld in gebeden! Nog weet gij 't grootste wonder niet: Mij is barmhartigheid geschied!

Wij zullen 't alles u verhalen! Hoe? Didymus! hoe kunt ge dralen Naar de opperzale mee te gaan? Dáár zullen we allen om u staan, Want allen zijn wij Gods getuigen! En, zoo gij dan niet mee kunt juichen, Dan liegt uw traan, die 't oog ontspat! Dan zijt gij voor den Heer verloren! Dan wilt gij Hem niet toebehooren! Dan hebt gij nooit Hem liefgehad!’

- ‘Of ik Hem liefheb? Jona's zone! Ik draag dien doode diep in 't hart; Hoe wilt gij dat ik liefde toone, Dan door de veelheid mijner smart? O mocht mijn ziel dat heil verwerven: Met dit mijn oog den Heer te zien! Dan zou ik juichen, maar 't besterven, Van blijdschap overstelpt, misschien. Maar ge eischt, dat ik mij nu verblijde? Hoort, Jezus' jongren! wat ik zeg: Eer ik mijn hand breng in zijn zijde, Mijn vingren in zijn handen leg, En dáár de teeknen heb gevonden, Der naaglen, die zijn vleesch doorwondden, Der speer, die 't hart Hem heeft doorboord: Zal 'k niet getroost zijn, of gelooven Wat al Gods wondren gaat te boven!’

‘Ach, Didymus! herroep dat woord!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove