Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

De geloovige. I.

Het wederzien.

De avond luwt reeds op de bergen. 't Koeltje, dat zijn wiek ontvouwt, Draagt naar 't dal de bloesems over van olijf- en dadelwoud. 't Diep van Josaphat's valleie wordt in scheemring reeds gehuld, Maar de tin van Salem's tempel is van gloeiend goud verguld.

't Licht der pas ontgloorde luchters mengt zijn glans met domm'lig rood In het langzaam doovend purper, dat de zon langs 't marmer goot. 't Avondoffer was ontstoken en de laatste Psalmtoon zweeg; 's Heeren priester sprak den zegen, en het voorhof stroomde leeg, Daar reeds hier en ginds een sterre flikk'rend aan de lucht kwam staan; Maar voor 's Heilands volgelingen breekt opnieuw een feestuur aan, Daar op d'eersten dag der weke de eigen opperzaal hen wacht, Die hun, op den Dag der dagen, 't eerst de vreugd des weerziens bracht.

Thomas is er, weergegeven aan de ontweken broederkring, Die, met wijd zich oopnende armen, den verloren Vriend ontving, Fel door twijfling nog bestreden, schoon 't reeds van zijn wezen sprak, Dat een zonnestraal der hope door de wolk dier twijfling brak. Dichtgeschroefd zijn weer die deuren, en met dubb'le zorg bewaard, Dat geen wolf de kooi bespringe, waar de lamm'ren zijn vergaard; Want zij weten: boom of grendel weert den goeden Herder niet, Die hun dichtgeschroefde deuren, als zijn grafdeur, openstiet. 't Lied, dat David's harp omsuisde, ruischt nu langs de wanden heen: ‘Zingt een nieuwen Psalm den Heere! Hij doet wondren, Hij alleen! Die den steen, waaraan bij 't bouwen smaadlijk was een plaats ontzegd, Ophief en ten hoekgesteente van het Godsrijk heeft gelegd! 't Is het werk van Zijn vermogen! 't Is...’ - Wat dempt opeens hun lied? Allen zwijgen en volenden d'aangeheven slotgalm niet.

‘Vrede zij U!’ sprak een stemme. ‘Vrede zij U!’ klonk het weer, En met bleek bestorven lippen fluistert Thomas: ‘Is de Heer!’ Jezus' blik heeft hem gevonden, die 't gelaat ter zijde boog, En vol huiv'ring de oogen neersloeg voor den opslag van Zijn oog, - Van dat oog, dat aan den sterv'ling 't diepst geheim der ziel ontwrong; Dat, wanneer het vlammend staarde, door het merg der beendren drong, Maar, als 't sprak van schuldvergeving, of vertroosting riep in 't hart, Weer de ziel van vreugd deed hupp'len, die verdorren ging in smart. - Met dat oog vol mededoogen, dat, toen 't Petrus ziel doorsneed, Tot een bronwel veler tranen 't ijs zijns boezems smelten deed, Zóó rust 's Heeren blik op Thomas. - ‘Thomas!’ zegt hij, ‘nader mij! Leg uw vingren in mijn handen! Breng uw hand nu in mijn zij'! Zie de teeknen mijner wonden, die ik u te aanschouwen geef! Wees niet langer ongeloovig, maar geloof nu, dat ik leef!’

En Thomas? - Hij nadert, maar wijkt weer met beven, Geen vinger verroert hij, of - heft hij die even - De krachtlooze hand wederstreeft het gebod. Zijn oog gaat het oog van den Heer weer ontmoeten; Dáár stort hij, vernietigd van schaamte, aan Zijn voeten, Blikt opwaarts en stamelt: ‘Mijn Heer en mijn God.’

‘Mijn Heer en mijn God!’ wat geloof en vertrouwen, Wat vreugde en vervoering, bij 't zalig aanschouwen, Wat dank en aanbidding weergalmt in dat woord! Nu ziet hij den Hemel, die neerdaalt, weer open, Nadat, boven bidden èn denken èn hopen, De vurigste wensch zijner ziel is verhoord.

En Jezus? - Hij spreekt met een lichtglans op 't wezen, Waarin zijn triumf op den dood staat te lezen: ‘Omdat gij gezien hebt, hebt ge eindlijk geloofd! Wèl voelt gij u zalig, maar zalig daarboven, Wie zonder aanschouwen, toch blijven gelooven, Tot Ik hun de krone zal drukken op 't hoofd!’

II.

Zalig zijn zij, die niet gezien en nochtans zullen geloofd hebben.

(Joh. XX:20.)

Ja zalig, wie niet ziet en nochtans blijft gelooven! U wacht op aard te zwaarder strijd, Maar ook te schooner kroon, te zaalger vreugd hierboven, Zoo ge overwinnaars zijt.

Al mocht gij, diepgeroerd, niet knielen aan de voeten Van hem, die overwonnen heeft, Toch blijft 't geloofsoog Hem als levensvorst begroeten, Die leeft en 't leven geeft.

Volhardt tot in den dood, gij aan den Heer getrouwen! Betreedt met moed den weg naar 't graf!

Gij wandelt door 't geloof naar 't land van blij aanschouwen, Dáár valt de blinddoek af.

Blikt op, zwaarmoedigen! wat wordt de smart der aarde? Wat wordt haar doornenkroon, haar kruis, Voor wie, ook zonder zien, geloovig opwaarts staarde Naar 't Vaderlijke huis?

In 't Vaderlijke huis, waar reeds uw zaalgen wonen En uw Verlosser hulde biên, Is ook uw plaats bereid, zal ook zijn hand u kronen, Zal ook uw oog Hem zien?

Vreest niet, gelooft alleen! Wat treurt gij diepverslagen, Zoo slechts die kroon u sieren mag? Die kroon, door Hem beloofd, kon geen Apostel dragen, Die Hem op aarde zag.

Heer, onzer zij die kroon! - Dat niets die kroon me ontroove! Of - zoo die wensch te veel omvat - Spreek eens tot ons: ‘Gij hebt gewankeld in 't geloove, Maar toch mij liefgehad!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove