V.
Wat speeltuig klinkt langs 't meer,
Als pas de storm bedaart, na buldrend najaarsweer?
Als de ondergaande zon haar stralen op de zoomen
Van zwarte donderwolken schiet,
Wier rommelend geluid dof heenrolt langs de stroomen,
En morrend sterft in 't riet?
't Is of aan 't Lesbisch strand
Zich Saffo's lier beweegt naar 't tokklen van haar hand;
't Is of uw speeltuig klaagt, o Harpenaar van 't Noorden,
Op Oscar's graf, o Ossiaan!
Toen reeds de onsterflijkheid, waarvan de kimmen gloorden,
Haar hooger toon deed slaan.
Nog kalmer is die rust,
Als de ingeslapen zee de sluimrende oevers kust;
Heel de aard drijft vlot daarheen, nu wordt de hemel lichter!
Nu lispt de nacht uw tonen na:
(Bij d' aanblik van 't gestarnt luid hoorbaar voor den dichter!)
Harmonica!