III.
O, herhaal dat woord, Elvire! wees hier de Echo van mijn lied. Waar met nooit gekende weelde zich 't gevoel in overgiet! Staar ik, met uw beeld voor de oogen, op de wiss'ling in ons lot, Dan vloeit mij de boezem over van geluk en dank aan God; 't Was Zijn Engel, dien Hij neerzond, die u redde in 't bangst gevaar, Die u in mijne armen voerde, die ons weerschonk aan elkaar. Vreugdetranen zie ik glinstren, op Elvire's feest geschreid; Tranen zijn de hoogste tonen in het lied der dankbaarheid! Vloeit dan, tranen, die als tolken van mijn zielsverrukking vliet, En brengt reiner lof d' Algoede, dan ik stamel in mijn lied!
Sta natuur dan droef te kwijnen, zonder glimlach om den mond, Evenals de schuchtre lelie in den guren morgenstond; Ons verrukt het blauw des hemels, 's voorjaars mist en dampen door, En die Hemelbode waakt nog, en zweeft blijde uw schreden voor, Tot hij, onder feestgezangen, ons aan 't outer wedervindt, En dáár, biddend neergebogen, eeuwig aan elkaar verbindt.
God der liefde! Gij, wiens Engel 't Kwijnend bloempje heeft behoed! Schraag de Lelie op haar stengel, Als de storm haar beven doet! Zalig moog', bij 't reinst genieten, Voor Elvire 't leven vlieten, Door Uw zegen mild bedauwd, Door Uw vleuglen overschaâuwd, Hoor den wensch, dien 'k biddend slake! Hemel! maak die bede waar: Dat ik haar voor leed bewake, En door 't vuur, waarvan ik blake, Hier haar aardsch geluk volmake, Maar niet leve zonder haar!
Cookies on Poetry Cove