III.
In den zomer.
Nieuwe melodie.
Heft uwe oogen langs de velden,
Nu de Zomer 't aardrijk tooit!
Ziet, hoe zij Gods trouw vermelden,
Van zijn gaven overstrooid!
Hij, de milde Zegenader,
Aller schepslen God en Vader,
Hij vergeet Zijn kindren nooit!
Hoort den blijden juichtoon galmen:
Maaiers, gaat de sikkels slaan!
Ziet, hoe buigen zich de halmen,
Met een vracht van goud belaân!
Gij, die hopend 't zaad gingt zaaien,
Moogt nu rijke garven maaien,
Want de dag van d' oogst brak aan!
't Rijpend ooft in gaard en hoven
Schildert ons Uw goedheid, Heer!
Uit een legerplaats van schoven
Stijgt de lofpsalm tot Uw eer.
Met het zilverwitte laken,
Tusschen groene looverdaken,
Dekt ge uw ruime tafel weer.
Vloeit die stroom van zegeningen
In zijn volheid ook voor mij? -
Vader! leer mij 't danklied zingen,
Dat U 't lieflijkst reukwerk zij!
U, die 't bloem en vrucht laat reegnen,
U, die dondert om te zeegnen,
In dit prachtig jaargetij!
Zien we soms ook distlen bloeien,
Tarwe en onkruid naast elkaâr:
Laat ze beiden opwaarts groeien,
Vruchtbare en onvruchtbare aar!
Eens, als 't Godsrijk is gekomen,
Scheidt het kaf zich van de vromen,
Is Uw heerlijke oogstdag daar!
Zien we meenge plant versterven,
't Zaad ras door den wind verwaaid -
Moog' het zaad niet ras verderven,
Thans weer in ons hart gezaaid!
Moog' de zomer van ons leven
U ter eere vruchten geven,
Vruchten, die de Hemel maait!