II.
Als de zee, van drift aan 't koken,
Heuvlen naar de kusten draagt,
En de stranden, die gaan rooken,
Om een ruimer erfgrond vraagt,
En haar golven voort doet zwalpen,
Als een keten drijvende Alpen,
Waar de sneeuw van nederstuift,
Maar terugstuit op de rotsen,
Die zij sloopen moog door 't klotsen,
Maar geen voetbreed verder schuift;
Of bij Laufen's stroomgeklater,
Waar ge in 't prachtig bergverschiet
't Nederploffend romlend water
Over rotsen tuimlen ziet;
Dat in d' afgrond neergestoven,
Schuimend opspat weer naar boven,
Met achor-ruischend stroomgeschal;
Waar het licht der zon op vonkelt,
Waar een regenboog zich kronkelt
Door de wolken van kristal:
't Is of schallende trompetten,
Bij 't geroep der krijgsklaroen,
Dáár ons bloed in oproer zetten
En welluidend bruisen doen;
't Is of de echo's van de dalen
't Daavrend krijgsmuziek herhalen
Van een joelende' oorlogsdrom,
't Is of fluit en schel en horen
In het dof geratel smoren
Van een forsch geroerde trom.