Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

III.

Wat is de schepping stil, nu zich de zon verduistert! De vooglen zweven angstig om; 't Is, of geheel natuur vol aandacht staart en luistert, En met een zachter stemme fluistert, Bij 't opzien naar 't gewelf in 's Heeren Heiligdom. -

Zóó volgde ook eens - maar 't was een doodsch en somberzwijgen - Een stilte als die des grafs op 't vloekgeschreeuw weldra. Toen 't duister werd op Golgotha; De schepping scheen ontroerd naar d'ademtocht te hijgen. En 't bevend aardrijk slaakte een kreet van schrik daarna; Toen, om het zwart tooneel van gruwlen te overdekken, De zon haar stralen in ging trekken, Den middag in een nacht herschiep, Door bliksemvuur noch stargeflonker Verlicht, en in dat tastbaar donker Als met een hoorbre stem de duistre hemel riep: ‘Van 't naadrend Godsgericht ben ik de ontzagbre bode! Wee over u, Jeruzalem! Wee u, de stad des bloeds, die Gods Profeten doodde, En 't kruis hebt opgericht voor Hem, Dien ge op Zijn wolkentroon als Rechter zult aanschouwen, Als weer de heemlen zullen rouwen, En de aard zal beven op Zijn stem!’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove