III.
Wat is de schepping stil, nu zich de zon verduistert!
De vooglen zweven angstig om;
't Is, of geheel natuur vol aandacht staart en luistert,
En met een zachter stemme fluistert,
Bij 't opzien naar 't gewelf in 's Heeren Heiligdom. -
Zóó volgde ook eens - maar 't was een doodsch en somberzwijgen -
Een stilte als die des grafs op 't vloekgeschreeuw weldra.
Toen 't duister werd op Golgotha;
De schepping scheen ontroerd naar d'ademtocht te hijgen.
En 't bevend aardrijk slaakte een kreet van schrik daarna;
Toen, om het zwart tooneel van gruwlen te overdekken,
De zon haar stralen in ging trekken,
Den middag in een nacht herschiep,
Door bliksemvuur noch stargeflonker
Verlicht, en in dat tastbaar donker
Als met een hoorbre stem de duistre hemel riep:
‘Van 't naadrend Godsgericht ben ik de ontzagbre bode!
Wee over u, Jeruzalem!
Wee u, de stad des bloeds, die Gods Profeten doodde,
En 't kruis hebt opgericht voor Hem,
Dien ge op Zijn wolkentroon als Rechter zult aanschouwen,
Als weer de heemlen zullen rouwen,
En de aard zal beven op Zijn stem!’