Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

III.

Vangt uw oor dat zoet gemommel Bij de zilvren boekweitzee? Ieder bijtjen, ieder hommel Draagt zijn vracht van honig mee. Zaagt ge dáár het zonlicht dooven Op die hooge vensterruit? Blauwend rolt de rook daarboven Zijn gekrulden wimpel uit.

Mildbebloemde veldtapeten Weven zich langs d'effen grond; Beekjes, die hun spoor vergeten, Kruisen weide en akkers rond. Zacht gebogen heuvelwrongen Leiden naar den hoogsten top; Door de struiken heengedrongen Staan wij op d' omkransten kop; Door een tooverroede ontsprongen, Rijst daar 't prachtig landschap op.

Wat schetst gij, bloeiend oord? - Den schoonsten bloei van 't leven, Voor wie dat schoon geniet met onbedorven zin; Den krans der bruid door 't golvend haar geweven, Den teedren lach der eerst ontloken min. Wat spreekt dat vergezicht vol heuvelen en dalen, Zacht fluistrend aan ons oor in hoorbre melodie? - Het spreekt van 't stout verschiet der stijgrende idealen, Die slechts in 't zalig tijdperk stralen Der eerste liefde en poëzie!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove