III.
Vangt uw oor dat zoet gemommel
Bij de zilvren boekweitzee?
Ieder bijtjen, ieder hommel
Draagt zijn vracht van honig mee.
Zaagt ge dáár het zonlicht dooven
Op die hooge vensterruit?
Blauwend rolt de rook daarboven
Zijn gekrulden wimpel uit.
Mildbebloemde veldtapeten
Weven zich langs d'effen grond;
Beekjes, die hun spoor vergeten,
Kruisen weide en akkers rond.
Zacht gebogen heuvelwrongen
Leiden naar den hoogsten top;
Door de struiken heengedrongen
Staan wij op d' omkransten kop;
Door een tooverroede ontsprongen,
Rijst daar 't prachtig landschap op.
Wat schetst gij, bloeiend oord? - Den schoonsten bloei van 't leven,
Voor wie dat schoon geniet met onbedorven zin;
Den krans der bruid door 't golvend haar geweven,
Den teedren lach der eerst ontloken min.
Wat spreekt dat vergezicht vol heuvelen en dalen,
Zacht fluistrend aan ons oor in hoorbre melodie? -
Het spreekt van 't stout verschiet der stijgrende idealen,
Die slechts in 't zalig tijdperk stralen
Der eerste liefde en poëzie!