IV.
In den herfst.
Melodie Ev. Gez. 165.
Waar vloodt ge, o vriendlijk jaargetij! Met al uw lieflijkheden? Zóó gaat de wereldvreugd voorbij, En wat hier bloeit beneden! Een stemme roept daar overluid, In 't gieren van den herfstwind, uit: ‘Dit lot verbeidt u allen! Nog bloeit uw jeugd, ras wordt gij oud, Gelijk het groen verkleurt aan 't hout, Totdat de blaadren vallen!’
Voorwaar, al 't menschdom is als 't gras, Geslachten zijn verdwenen; Hun heerlijkheid werd stuivende asch; Hun glans heeft uitgeschenen! De bloem valt af, het gras verdort, Nog eer het heden avond wordt! Maar, wat in puin moog' zinken: Gods woord houdt stand in eeuwigheid, En 't licht, dat hier ons troost en leidt, Blijft in den doodsnacht blinken!
Wel straalt de zon van 's Hemels tin, Maar met omwolkten luister: Wat krimpen weer de dagen in! Hoe overvalt ons 't duister! Maar, schoon aan dicht omfloersde lucht, Steeds vroeger aan ons oog ontvlucht, De zon ter kim gaat dalen; Gij Heer, mijn zon, mijn licht, mijn lied, Verandert of verduistert niet Met Uw genadestralen!
Wat klaag ik, dat mijn jeugd verdween, Bij 't mindren mijner krachten? Mijn oog blikt naar den Hemel heen, Ik blijf Gods lente wachten. Gods schepping is geen woestenij, Maar blijft in 't late herfstgetij Nog geurge bloemen dragen: Al word ik oud, mijn hart blijv' jong! Het danklied, dat mijn kindsheid zong - Hoort gij 't, mijn najaarsdagen!
Wat zegt het, zoo 'k met blij ontzag, Op Uw genâ mag hopen, Dat de aardsche mensch, van dag tot dag, Zijn kranke hut ziet sloopen? Zoo slechts, vernieuwd van dag tot dag, De nieuwe mensch meer leven mag, En vleuglen mag verwerven; Zoo Gij, o God! mij rijp bevindt, En nog mijn Herfst een bloeiknop wint Die opengaat bij 't sterven!
Cookies on Poetry Cove