Bl. 263.
Hanna's lofzang.
Dat men in dit gedeelte eene dichterlijke navolging vindt van Hanna's Lied, gelijk dit 1 Sam. II vs. 1-10 staat opgeteekend, zal nauwelijks aan mijne lezers herinnerd behoeven te worden. Om dit lied, 't welk geheel het karakter draagt der Oostersche Poëzie, en daarom verre afwijkt van de taal, welke een hedendaagsch dichter der gelukkige Moeder zou in den mond gelegd hebben, des te beter te doen verstaan, schrijf ik hier de aanteekening van Van der Palm af, aan wiens schoone vertaling ik mij, bij de overbrenging van het oorspronkelijke, het naast heb gehouden: ‘Het geheele lied van Hanna is ingericht, om de spoedige lotsverwisselingen, waardoor menigmaal de ongelukkige eensklaps gelukkig, of omgekeerd de gelukkige ongelukkig wordt, voor te stellen als het werk van God, die daarin naar Zijn eigen raad en gunst te werk gaat, zoodat er niets ongerijmder en strafbaarder is, dan trotsche zelfverheffing. Haar voorbeeld en dat van hare mededingster hadden dit opnieuw geleerd.’