V.
Apotheosis.
O Neêrland, jeugdig rijk, omkranst met morgenstralen, Wat vierdet gij uw opgang schoon! God sprak - de Heerscher viel - zijn algeweld had palen Opnieuw bevestigd stond uw troon. En hij, die kronen schonk en vorsten-schepters deelde, Die met der volken lot als met een teerling speelde - Wat bleef hem over van dien glans? Een rots in d'Oceaan was 't erfgoed dat hem restte, Zijn laatste zetels-veste - En in die rots een graf - ziedaar zijn rustplaats thans!
Zijn rustplaats! - Neen! zijn schim blijft waken, Die spokend over de aarde zweeft; Zijne asch schijnt weer bezield; zijn dorre beendren kraken: Zijn graf ontsluit zich - hij herleeft! 't Geraamte heft zich op met lauwren om de slapen; De ontvleesde knokkel tast naar 't lang verroeste wapen, En wist er elke bloedvlek af. Zie, toornig staart hij nog naar de Europeesche kusten Dáár wil hij, dat zijn stof zal rusten, Zoo hij nog rusten kan in 't graf.
Hij eischt, zijn schim ten zoen, dat Frankrijk 't praalgraf bouwe! 't Geschiedt - 't vermolmde lijk keert met Hosanna's weer, De Lelie-vaan buigt zich vol rouwe, Door 't slijk gesleurd, voor d' aadlaar neer. Het volk, in geestdrift opgetogen, Heft, voor zijn katafalk gebogen,
Geen sleepend lijkgezang, maar 't lied des levens aan: ‘De ster, gevallen van de transen, Ging weer verheerlijkt op met nieuwgeboren glansen! - De doode is weder opgestaan!’
De doode is opgestaan! - Hoort die triumfgezangen, Die 't koortsig Frankrijk rijzen dee', Waardoor het vloekgeschrei der wereld is vervangen! - Heel 't jong Europa schatert mee. 't Vlecht eerfestons en lauwerkronen, Voor 't beeld des mans, die eens 's lands zonen Ter glorie van zijn naam, als lamm'ren heeft geslacht. Wat vergt ge, dat Euroop bij die herinring bloze? - Napoleon's Apotheose Voegt de eeuw, die aan 't Genie de hoogste hulde bracht!
Maar gij, mijn Vaderland! zoudt gij, ook gij, vergeten, Hoe ge onder 't looden wicht zijns schepters hebt getreurd, En d' opgeladen slavenketen Vol moed hebt van uw hals gescheurd? Neen! wien die koortsdrift moog bezielen - Wie slavenkluisters vloekt, kan voor geen dwingland knielen, Al boog heel de aard voor hem de knie; Al wordt in zijn blazoen de vrijheidsleus gedragen; Al beurt men 't afgodsbeeld weer op een zonnewagen; Al kroont hem de eerkrans van 't Genie!
Cookies on Poetry Cove