IV.
Wat klaagt ge dan, o droeven!
Om d'eens verloren schat? -
Die wegborgt in de groeven,
Wat de aarde dierbaars had.
Al scheuren uw gebeden
De zerk niet op van 't graf;
Al valt der dorre leden
Niet weer de lijkwade af;
Toch ligt de Dood verslagen,
Verwonnen van Gods Zoon,
Die 't uchtendlicht deed dagen
In 't nachtverblijf der doôn:
Die ook dit stof beveiligt,
En 't graf, waarvoor gij beeft,
Ter rustplaats heeft geheiligd,
Waarom Zijn Engel zweeft.
‘Beween dan vrij uw dooden,
Maar zonder hope niet!’
Die stem rijst uit de zoden,
Waarop ge tranen giet.
En wandelt ge over graven
In 't heilig tempelkoor,
Waar 't sluimrend stof der braven
Wacht op den morgengloor;
Of waar op 's Heeren akker
De kruisen staan gegroept,
Denkt: ‘Dooden worden wakker,
Als Jezus Christus roept!’
En, ziet ge een grafkuil gapen,
Zoo griffelt op den steen:
Zij zijn niet dood, maar slapen -
Vreest niet, gelooft alleen!