VI.
Nu, zoo ver ons oog kan dragen, Nog de blikken rondgeslagen;
't Landschap staat in d' avondblos! Hoort gij 't onbestemd geschater, 't Loeiend vee, het murmlend water En dat wild muziek in 't bosch?
Hier op 't gras nog pareldroppen! Dáár ontgloeide heuveltoppen, Waar de zon voor 't laatst op schoot! In het blauw verschiet een toren, Die het uur der rust doet hooren, Met de spits in 't avondrood!
Hooger, waar die wolken dalen, Dooven zich de purpren stralen Van een dubblen regenboog; En in 't zeegroen van de kimmen, Waar de maan reeds op gaat klimmen, Heft zich Bentheim's rots omhoog.
Gelijk die rots ons wenkt, van wolkenschaâuw omgeven, Zóó trekt ons oog de toekomst aan; Zóó zien wij 't heerlijkst doel van 't leven, Nog half omneveld, voor ons staan! Zóó plechtig rees in kindsche jaren Het eerste denkbeeld in de ziel, Steeds naar den bergtop heen te staren, Waar 't Godgeheiligd vuur gebracht wordt op de altaren, Hoe zwaar het klimmend spoor ons viel. Ras is die droom vervuld; ras is die berg bestegen; Ras wijzen we aan zijn steilen rand, Langs kruiswegpaal en kronkelwegen Den vreemdling op zijn Vaderland.
Vaarwel, aanminnig oord! - 'k Zal van uw schoon gewagen, Van d' ongedwongen lach, die in uw dalen klinkt! Hier sleet ik blijde en onbewolkte dagen, Nog kalmer dan de dauw, die op uw velden zinkt! O, zoo een blik in 't stormend leven Mij voor een zwart verschiet deed beven, Of 't onheil op mijn schoudren woog:
Keert weer dan, zacht bestraalde dreven! Roept weer dien zilvren regenboog, Die aan uw Hemel stond geschreven, Met de ondergaande zon voor 't oog!
Cookies on Poetry Cove