Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

I.

Bl. 107. - Thans had hij zijn schreden Gericht naar Smyrna, de achtbre stad, Weeleer Homerus' bakermat, Weer 't pronkjuweel der Grieksche steden...

‘Hoe toch de latere geschiedschrijvers aan de wetenschap gekomen zijn, dat Smyrna, de beroemde handelsstad van Klein-Azië, het tooneel van den inhoud dezer Legende geweest zij?’ zóó vroeg ik langen tijd mijzelven af, daar Clemens van Alexandrië wel ons mededeelt, dat de stad door sommigen wordt genoemd, maar goedvindt den naam zelven voor zijne lezers verborgen te houden. Maar eindelijk zie ik, dat de Schrijver van het Alexandrijnsche Chronicon als deze stad Smyrna heeft aangeduid, een gezag, waarin de Auteur van een dichtstuk veilig kan berusten. - Ik heb haar Homerus' bakermat genoemd, niet, omdat ik dit voor onbetwistbaar zeker hield, maar omdat zij onder het aantal steden heeft behoord, welke zich die eer hebben toegekend, en men zelfs in hare nabijheid den vreemdeling een grot aanwees, waar de onsterfelijke Dichter zijne onsterfelijke liederen zou hebben opgesteld. In het tijdperk, waarin Barthélémy zijn jeugdigen Anacharsis deze stad laat bezoeken, verkeerde zij in het diepst verval; later, omtrent het begin der Christelijke jaartelling, verhief zij zich weder tot een nooit gekenden luister en bloei, waardoor zij al hare vroegere mededingsters overschaduwde.

Bl. 108. U laat ik als een kostbaar pand, - - - - - - - Theofilus! dien jongling achter.

Beide namen, van den Bisschop en van den jongeling, worden in de Overlevering verzwegen. Het stond mij alzoo vrij die te verdichten. Sommigen (ook Ponatus l.c.p. 19), van de onderstelling uitgaande, dat Smyrna de in dit verhaal bedoelde stad zij geweest, willen aan Polycarpus, den beroemden leerling en kweekeling van Joannes, als den hier voorkomenden Bisschop, hebben gedacht. Dat noch Clemens Alex., noch Eusebius, hem uitdrukkelijk noemt, bewijst (wij belijden het) nog geenszins het tegendeel, daar dit stilzwijgen genoegzaam zou kunnen verklaard worden uit zekeren schroom, om den heiligen Martelaar in een min gunstig licht te doen verschijnen. Maar het mag onze aandacht niet ontgaan, dat de bedoelde Bisschop of opziener der gemeente in dit verhaal reeds als een grijsaard voorkomt. Nemen wij thans aan, dat de Apostel Joannes omtrent het jaar 100 der Christelijke jaartelling, of kort daarna, is gestorven, en dat Polycarpus, tijdens de vervolging van Marcus Aurelius in het jaar 169, als een zes en tachtigjarig grijsaard den marteldood heeft ondergaan, dan is dit verschil in leeftijd te groot, om het met den inhoud dezes verhaals te kunnen overeenbrengen. Ik kon het daarom niet over mij verkrijgen, Polycarpus met de rol dezes Bisschops te bekleeden. Ja, ik zon het eene heiligschennis hebben gerekend, zoowel aan de geschiedenis als aan zijne nagedachtenis begaan, alzoo eene vlek te hebben geworpen op het historisch karakter van een man, wiens leven en sterven de hooge voortreffelijkheid des Christendoms zóó luide heeft verkondigd. - Dat Cunz dezen Bisschop, evenals ik, Theofilus heeft genoemd, kan ik voor niets dan eene toevalligheid houden, daar ik bezwaarlijk kan onderstellen, dat deze dichter mijne Legende heeft gekend en gelezen.

Bl. 110. En krone u met de kroon des levens, Aan Hem getrouw tot in den dood!

Deze woorden zijn hier met opzet gekozen. Zóó toch wordt de verhoogde Heiland zelf, tot de gemeente van Smyrna sprekende, ingevoerd: Openb. II vs. 10.

Bl. 110. Mijn kinderkens, bemint elkander!

Het is eene algemeene bekende overlevering, welke ons door Hieronymus (ad Galat. VI) is medegedeeld: dat de hoogbejaarde Joannes, toen hij reeds dicht aan zijn einde was genaderd, zoodat zijn hoofd op zijne borst lag gezonken en zijne voeten hem den gewonen dienst weigerden, zich door twee jongelingen in de vergadering der Christenen te Efeze liet dragen, en niet meer in staat zijnde eene aaneengeschakelde redevoering te houden, alleen deze woorden uitsprak: Kinderkens, hebt elkander lief! - Ofschoon de onbedrieglijke zekerheid ook hier moet blijven ontbreken, zoo heeft men toch geoordeeld, de echtheid van dit verhaal nauwelijks te mogen betwijfelen, omdat het zoo geheel de afspiegeling van de inborst en het karakter des edelen Apostels is. Ik wil hierop niets hebben afgedongen: maar voeg alleenlijk er bij, dat hetzelfde ook ten voordeele van den hoofdinhoud dezer Legende pleit.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove