VI.
Bl. 149. 't Scheen Abbadona voor den troon Zijns rechters, als des Eeuwgen Zoon Den boetling, voor hem neergestort, 't ‘Ontvang genade!’ tegenfluistert.
Wat mocht ik eerder als algemeen bekend bij mijne Lezers onderstellen dan de treffende en beroemde Episode van Abbadona in Klopstock's Messiade; van Abbadona, den gevallen Engel, in wien toch altijd de sporen van zijn voortreffelijken aanleg, van zijne oorspronkelijke, verhevene bestemming zichtbaar blijven, en die eindelijk, wanneer zijne ziel door het berouw is gelouterd, weder in zijn vorigen rang wordt hersteld? - Vinden wij in den Dichter der Messiade, waar hij zijn Satan en Adramelech schildert, een reusachtig genie te bewonderen: zijn Abbadona herinnert ons, dat hij diepgevoelend en edeldenkend mensch en Christen was. Veilig achtte ik daarom eene vergelijking hieruit te mogen ontleenen. De schoone plaats, welke ik op het oog had, vindt men in den XIXden Zang vs. 130-200.
Bij het ter perse leggen van deze bladeren krijg ik in handen: ‘De Apostel Joannes in Klein-Azië. Critisch onderzoek van J.H. Scholten;’ eene verhandeling, welke door den Hoogleeraar in de Koninklijke Academie van Wetenschappen is voorgedragen, en in het November-nommer van het ‘Theologisch Tijdschrift, jaarg, 1871’ is geplaatst. Waar, als resultaat van dit onderzoek, het beeld des Apostels, zooals de Christenheid zich dit tot hiertoe heeft gedacht, geheel in het niet terugzinkt, en zijn verblijf in Klein-Azië als geheel onhistorisch moet geschrapt worden, daar spreekt het wel vanzelve, dat van de echtheid en geloofwaardigheid of ook van zekere historische kern dezer Legende geenszins sprake kan zijn. Ik heb mij hieromtrent in het bovenstaande met zooveel behoedzaamheid uitgelaten, dat ik zelfs, indien ik mij geheel aan de zijde des Hoogleeraars plaatste, daarin slechts betrekkelijk weinig zou te veranderen vinden. Bij al de grondige studie, welke wederom aan deze verhandeling is besteed, meen ik het nochtans bescheidenlijk daarvoor te mogen houden, dat het critisch onderzoek naar het verblijf van Joannes in Klein-Azië, wel verre van hiermede voorgoed gesloten te zijn, pas geopend kan heeten, en dat tegenover het resultaat eener critiek, welke haar scepsis tot het uiterste drijft, nog altijd zwaarwichtige bedenkingen zijn in te brengen. - Het is hier allerminst de plaats om een historisch-critischen strijd te openen, toch veroorloof ik mij een paar aanmerkingen, die geheel op deze legende betrekking hebben.
De Hoogleeraar acht het hoogst onwaarschijnlijk (bl. 656), ‘dat de oude man (ὸ γἐϱωυ,) die na den dood van Domitiaan († 98) nagenoeg honderd jaren telde, op dezen hoogen leeftijd nog te paard gezeten, en zelfs den vluchtenden rooverjongeling nagezet en achterhaald hebbe.’ Intusschen heeft hijzelf zijne lezers er op gewezen, dat de dwingeland, na wiens dood Joannes zich van Patmos naar Efeze begeven hebbe, door Clemens niet wordt genoemd, en daaruit de gevolgtrekking afgeleid, dat de Domitiaan-legende zich eerst later hebbe gevormd. Is dit nu zóó, en nemen wij met den Hoogleeraar aan, dat de Apocalypse omstreeks het jaar 68 is opgesteld, dan zouden wij hier een ruim zeventig-jarigen in plaats van een honderd-jarigen grijsaard voor oogen hebben. Bovendien lees ik nergens in het verhaal van Clemens, dat Joannes den rooverjongeling heeft nagezet (?) en achterhaald, maar wel dat deze, worstelend met het gevoel van schaamte en smart, is blijven staan en den grijsaard heeft ingewacht.
Reeds vóórlang was ik op het gevoelen gekomen, dat het vertelsel van Apollonius (zie bl. 621) als zou Joannes te Efeze een doode hebben opgewekt, en onze Legende in den grond voor identisch zijn te houden, dat namelijk de geestelijke opwekking van den jongeling tot een physisch wonder zal zijn vergroeid. Ik meende in dit verhaal zelve, in het antwoord op de vraag des Apostels ‘waar is de jongeling?’ door den Bisschop gegeven: ‘Hij is dood’, eene niet onbelangrijke aanduiding en natuurlijke aanleiding tot deze veranderde voorstelling te vinden. Uit Scholten's verhandeling zie ik, dat ditzelfde gevoelen ook door Steitz (‘der Montanismus’) is omhelsd en verdedigd geworden. De Hoogleeraar noemt dat gevoelen vernuftig maar toch onaanneembaar, omdat het verhaal van Clemens jonger is en als verhaal eener geestelijke opwekking, volgens den aard der Sage, aan hare versteening tot een lichamelijk feit moet voorafgaan. Het laatste wil ik gereedelijk toegeven, zonder daarom den bewijsgrond zelven te mogen toelaten. De redeneering zou ten volle opgaan, indien Clemens zelfs voor den Auteur der legende te houden ware, in dien zin dat dit verhaal door hem ware verdicht geworden. Maar dit wordt door hemzelven met de sterkste bewoordingen weersproken, en zal kwalijk door iemand ondersteld worden. En nu vragen wij: is het niet juist om de genesis van het gelijksoortig wonderverhaal te verklaren, verreweg het waarschijnlijkst, dat aan onze Legende de prioriteit der wording is toekomende, en kan zij niet, zonder dat wij haar, bij de schaarschheid van berichten uit de Christelijke oudheid, vroeger geboekt vinden, reeds jaren lang in de Christenwereld als volkssage hebben voortgeleefd en rondgewandeld? - Zonder daarom voor hare echtheid te strijden, blijf ik aan deze Legende eene hooge aloudheid toekennen, en als zoodanig blijft zij mede voor Joannes' verblijf in Klein-Azië spreken.
Cookies on Poetry Cove