I.
Wanneer de nacht reeds huivert door het loover.
En nog de dag van de avondkim ons groet;
Wanneer de maan de blauwe bergen over
Verteedrend drijft met zachtgekleurden gloed;
Wanneer haar blik van 't ruim der stargewelven
Den dauwdrup glanst, die aan den bloemstruik weent,
En heel Natuur, half klagende in zichzelve,
Zich tot een Elegie vereent.
Als 't is of de aard, bij 't deinzend lichtgewemel,
Meer 't lijden voelt, dat op haar bodem drukt,
En weemoedvol en smachtend naar den Hemel,
Zich uit haar sfeer nabij den Hemel rukt;
In 't scheppingsuur van dwepende idealen, -
Dan brengt Natuur de sombre tonen uit
(Gelijk men soms hoort om een heuvel dwalen)
Der zacht gestemde herdersfluit.