III.
Bl. 118. Hield hij den Doop voor 't zuivringsbad, Waarna geen smetstof der godloosheid Meer door zou dringen tot zijn ziel.
Zóó dacht Theofilus werkelijk, volgens hetgeen door Clemens Alex. in zijne vertelling verzekerd wordt; zóó dacht deze beroemde Kerkvader zelf, daar hij (in zijn Paedagogus, lib. I. c. 6.) den Doop, het eenige en algenoegzame geneesmiddel noemt, waardoor ons onze zonden vergeven, en wij zelven vernieuwd en geheiligd worden. En deze mystieke voorstelling van den Doop, ofschoon zij met het opgeklaarde leerbegrip der Protestanten ten eenen male strijdig is, hadden beiden met de meesten hunner tijdgenooten gemeen. Men vindt eene schoone uiteenzetting van het gevoelen der vroegste Christelijke Kerk omtrent den Doop, en van den invloed, welken dit op de geheele geloofs- en zedeleer der Christenen, ook in latere tijden, heeft geoefend, in het zóó belangrijke en lezenswaardige geschrift van den Eerw. J.A. Streso: Over den vroegeren staat van het Christendom; en vergelijke hiermede vooral de aanmerking des geleerden Schrijvers, in zijne verhandelingen over Constantijn den Groote en Charlemagne, bl. 66.
Bl. 118. Eens werd door Smyrna's dartle jeugd, Die 't hoofd met rozen had versierd - - - - - - - - - Met blij gejubel feestgevierd.
Men heeft gevraagd, waarom men Theagenes bij en na zijn val niet veel meer ziet handelen? - Ik heb gedeeltelijk de gegrondheid dier aanmerking gevoeld en erkend, en daarom hier de beschrijving van een Heidensch offerfeest ingelascht, welke ons van Theagenes' eerste afwijking eene meer aanschouwelijke voorstelling geeft. Maar ook hierbij heb ik gemeend mij te moeten bepalen, en mij te onthouden van zijne wandaden, die hij verder ondersteld kan worden te hebben bedreven, en détail te beschrijven. Overigens moge op de hier opgeworpen vraag het volgende als antwoord dienen, omdat ik, door Theagenes als Roover te schilderen - òf vreezen moest, meer het gevoel van afgrijzen dan van deernis voor den jongeling op te wekken - òf aan de hoofdtrekken des verhaals geheel ontrouw wordende, den Rooverhoofdman tot een denkbeeldigen held had moeten vormen, die meer in de negentiende dan in de eerste eeuw van onze Christelijke jaartelling tehuis behoort.
Bl. 119. - - - - - en misschien, In zak en assche en boetgebaar, Geknield te liggen - - -
Ofschoon de vier onderscheidene graden of trappen der boetedoeningen en de daarbij vastgestelde gebruiken en plechtigheden, van lateren oorsprong zijn, zoo behoeven wij niet te twijfelen, of de kerkelijke tucht, reeds in de Apostolische eeuw, op vele plaatsen, met de meeste gestrengheid zij uitgeoefend geworden, en vele harde en vernederende voorwaarden aan de wederopneming der boetelingen in den schoot der gemeente zijn verbonden geweest. Na de schildering welke ik van Theagenes' fier en eerzuchtig karakter had gegeven, kwam mij dit als een der gewichtigste bezwaren voor, welke aan de terugkeering en verbetering des jongelings in den weg stonden.
Bl. 119. Voor hen, die 't Christlijk waterbad Ontvingen, maar het deugdenpad Te snood afvallig weer verlaten....
De hier bedoelde plaats is Hebr. VI. vs. 4. Dáár lezen wij: ‘Want het is onmogelijk, dengenen, die ééns verlicht geweest zijn - en afvallig worden, wederom te vernieuwen tot bekeering.’ Opmerkelijk is het, dat Clemens Alex., waar hij ons den doop des jongelings mededeelt, hetzelfde woord bezigt, dat ook dáár voorkomt. Eigenlijk toch staat er in ons verhaal: hij verlichtte (εφώτιδε), voor: hij doopte hem. Meer, dan waarschijnlijk is het alzoo, dat ook deze plaats door de eerste Christenen op den Doop werd toepasselijk gemaakt; ofschoon hieruit nog geenszins volgt, dat dit werkelijk de bedoeling des gewijden Schrijvers geweest zij. Zie Abresch, Paraphras, Ep. ad Hebr. t.a.p. - Ik heb bij Ponatus (l.c.p. 22) een aantal aanhalingen gevonden, waaruit blijkt, dat dit woord (φωτίζειν) in de oudste Christelijke Kerk veelvuldig van den Doop werd gebezigd, en dat de doopvont nu eens βαπτιδτήϱιον dan weder φωτιδιήϱιον werd genoemd.
Bl. 120. ‘Wat komt me, als boetling, dan te stade! Verbeurd, verbeurd is Gods genade!’
Wat hier door mij aan Theagenes in den mond wordt gelegd, zegt Clemens Alex. zelf met zoovele woorden: ‘Daar hij nu eenmaal de hoop op genade en zaligheid, zooals die bij God te verwerven is, geheel had opgegeven, vergenoegde hij zich niet met het geringe of gewone.’ De oorzaak van deze vertwijfeling, en het noodlottig besluit, dat daaruit voortvloeide, valt, na het vroeger aangeteekende, terstond in het oog. Daar men toch de plechtige toediening des Doops niet voor een zinnebeeld, maar voor de werkende oorzaak van vergeving en zedelijke reiniging hield, zoo volgde hieruit vrij natuurlijk, dat hij, die desniettegenstaande tot afval van het Christendom, of andere ergerlijke zonden, verviel, als geheel van Gods genade vervallen verklaard werd. Zeer juist zegt daarom de Schrijver: Over den vroegeren staat van het Christendom: ‘Wie ziet niet, hoe het één der onvermijdelijke gevolgen van deze leer zijn moest, dat een reeds gedoopte, aan eenige grove misdaad zich schuldig makende, zichzelven als verloren moest beschouwen en dus tot wanhoop moest vervallen, of ook, in zijne wanhoop, zich nu maar aan de ondeugd gewetenloos ten prooi moest geven?’ - Op deze aan vertwijfeling grenzende moedeloosheid of (men vergunne mij dit woord) baloorigheid van den jongeling, als geheel voortvloeiende uit de denkbeelden, die hem op dit punt waren ingeprent, wil ik hier bijzonder de aan-dacht mijner Lezers gevestigd hebben. Zij dient toch, om zijn zóó diepen val, welke bij zoo vele goede en loffelijke eigenschappen lichtelijk een menschkundig raadsel schijnen kon, op eene bevredigende wijze te verklaren. Zij dient tevens, om het karakter van Theagenes in een gunstiger licht te plaatsen, en niets van de belangstelling, welke hij vroeger mocht hebben ingeboezemd, te doen verloren gaan. Bevindt men bovendien, dat ik het wangedrag des jongelings, dat in het verhaal zelf zeer scherp geteekend en sterk gekleurd is geworden, met eenige verzachting beschreven heb, men zal dit, indien men zich met de boven door mij aangevoerde aesthetische gronden vereenigen kan, ongetwijfeld billijkenDe Auteur van het boven aangehaalde Nederduitsche vers schijnt van een tegenovergesteld gevoelen geweest te zijn, en gemeend te hebben, den jongeling niet zwart genoeg te kunnen maken: waarschijnlijk met het vrome doel, om het wonder zijner bekeering des te grooter te doen worden. Men hoore de (kiesche!) beschrijving van zijn val:
‘Hij quam in vuyle lust en hoererij te vallen, En voort in Dronkenschap en Gulsigheid te mallen; - - - - - - - - - - - - - - - Dies socht hij slechts vermaak in zijn godlose leven, En ging hem tot het schuym der boeven overgeven, Hij wierd haar Capitein; een schelm en moordenaar: Ja, door des Duivels list, van tijd tot tijd noch qua'er. .
Bl. 120. Gelijk een fier, hardnekkig ros, Dat aan zijn' ruiter is ontsprongen.
Ik zou huiverig geweest zijn eene vergelijking, welke zóó dikwerf reeds gebruikt en daardoor afgesleten is, hier te bezigen, indien niet Clemens Alex. zelf gelijk uit zijn verhaal te zien is) mij daartoe aanleiding had gegeven. Ik heb daarom dit beeld behouden, in de hoop, dat de uitwerking niet zoodanig moge bevonden worden, dat ook op haar het vonnis der alledaagschheid evenzeer van toepassing zij!
Cookies on Poetry Cove