III.
De kunstplaat.
Beminlijk beeld, 't is zoet u aan te staren!
Zweef altijd vóór en nevens mij!
Als 't driftig bloed me onrustig bruist in de âren,
'k Zie Jezus aan, dáár wandlend op de baren,
En 'k voel den storm der ziel bedaren:
Zóó kalm, zóó goed, zóó groot is Hij!
Doet 's levens zee mij door haar golfslag beven,
Bezwijkt mijn hart van vrees daarbij,
'k Zie Jezus aan, die zwakken kracht kan geven,
Wiens hand met macht den Jonger houdt geheven;
En 'k hoor het fluistrend om mij zweven:
‘Kleine in 't geloof! wat wankelt gij?’
Zwak is mijn kracht en klein is mijn geloove,
Maar Gij, mijn Helper! vat mijn hand.
Ach, dat geen nacht dien lichtstraal voor mij doove;
Geen storm, die woedt, mij ooit dien troost ontroove,
Maar 'k U ook eens als Redder love,
Door U geleid naar 't veiligst strand!