Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

II.

Ziet gij den Wintervorst, ginds op zijn troon gezeten, Waar om 't verglaasde meer eene onafzienbre keten Van hooger klimmende Alpen sluit? Dáár heft een gevelspits zich boven 't sneeuwvlak uit, Half, voor het zoekend oog, in neevlenschaâuw verloren - Dáár ziet ge een flikk'rend licht door boog en glasruit gloren; Het lonkt, als star der hoop, den moeden zwerver toe, Als hem de sneeuwjacht zweept en geeselt met haar roe. Dáár vangt het oor den toon van Godgewijde zangen, Die ruischen door de kloostergangen, En vindt ge een Broedrenschaar, van heilgen ernst bezield, Rondom een kruisbeeld neergeknield; -

Die op de grens, waar Aarde en Hemel scheiden, En 't keerpunt schijnt van eeuwigheid en tijd, In God getroost hun stervensuur verbeiden; Wien slechts de vreugd van weldoen 't hart verblijdt; - Wier zegenende hand, voor elken broeder open, Heul, troost en laafnis schenkt, als balsem neergedropen; Den lijder opneemt, die, door de ongenâ der lucht Vervolgd, naar d' adem hijgt, en in hunne armen vlucht; - Wier voet langs 't sneeuwdek dwaalt, of d' ijsklomp opgetreden, Den afgedoolde zoekt, uit d' indruk van zijn schreden, Die levend zich begroef en uit de diepte kermt, Of duizlend door den slaap des schijndoods wordt omarmd.

O zalig hun, den dood dien kostbren buit te ontwringen, De boei te brijzlen van het versch gedolven graf; Elkander 't zegelied des levens toe te zingen, Dat menschenliefde een broeder wedergaf! Ziet, hoe ze in hoop en vrees zich om den lijder dringen: Zij wijken niet van 't leger af - Maar waken aan zijn zij' - en bidden vóór zijn sponde - En prikk'len 't stilstaand bloed - en zwachtlen elke wonde - En luistren op de borst, of 't flauwend hart nog slaat - En juichen, nu weer zwaar en diep zijn adem gaat!

O liefde, schooner dan in lager lucht wil bloeien! Gij schudt de kluisters af, die hier den sterv'ling boeien; Verpacht u voor geen aardsch, maar beidt een hemelsch loon! Gij vraagt niet, wie hier om koom dwalen - Wat erf hem 't aardrijk wees ter woon: Germanje's heuvlen of Ausoonje's vruchtbre dalen - Dan of de zon hem schroeit met ongebogen stralen? Of hij, zich buigend voor Gods troon, De leer van 't Vatikaan, van Mekka of Genève, Als richtsnoer zijns geloofs belij? - Genoeg, dat niet een mensch, een mensch in doodsnood sneve, Maar, door uw hulp gered, herleve, Tot uw triomf volkomen zij!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove