II.
Bl. 112. - - - - - - - - Had zij der Christnen waterdoop, Op 't vurig uitgedrukt verlangen, Op 't krankenleger nog ontvangen.
Reeds zeer vroeg schijnt het in de Christelijke Kerk gebruikelijk te zijn geweest, aan gevaarlijke kranken, wanneer dezen hunne vurige begeerte daartoe te kennen gaven, den Doop op hun leger toe te dienen. Dezulken werden, indien zij herstelden, clinici (ἐν τη ϰλινη βαπτιζόμενοι) genoemd. Men hechtte nochtans aan zulk eene bediening dier plechtigheid ongelijk mindere waarde, dan aan die, welke op de gewone wijze door indompeling geschiedde.
Bl. 112. Joannes zag hem - en beminde - - - - - - - - Den schoon ontloken jongling 't meest.
Clemens Alex, beschrijft ons alleen den diepen indruk, door den eersten aanblik des jongelings bij Joannes teweeggebracht, en de gevolgen dier ontmoeting. Ik heb in deze en de volgende verzen, de belangstelling, welke de Apostel in zijn persoon liet blijken, op eene ongezochte wijze zoeken te motiveeren, en hieraan de voorkeur gegeven boven eene plotselinge en buitengewone verlichting des H. Geestes. Het onbegrijpelijke en stuitende van het denkbeeld, dat een jongeling, die zulk een voortreffelijken aanleg bezat en daarenboven, voor eene poos, de leiding en het onderwijs van een Joannes genoot, naderhand zoo diep heeft kunnen zinken, wordt, dunkt mij, geheel opgeheven, als men in het oog houdt, dat Theagenes' eerste afwijking meer van zwakheid dan van bedorvenheid des harten getuigt. Het komt er dus slechts op aan, dat zijn versnelde voortgang in het kwade en zijn diepe val op eene menschkundige wijze worden verklaard.
Bl. 114. Dáár, waar de Hermus-stroom zijn vloed, enz.
Meles heette eigenlijk het riviertje, dat bij Smyrna zeewaarts vloeide, terwijl de Hermus, iets verder vandaar door de velden kronkelende, zijne wateren bij Phocéa in de zee ontlastte. Door de ouden werd echter ook de Hermus, als het grondgebied dezer stad besproeiende, nu en dan Smyrnensium amnis geheeten. (Men zie Pomponius Mela, de situ orbis, lib. I. c. 17, en aldaar de aanteekeningen van Vossius.) Ik heb daarom aan den meer aanzienlijken stroom de voorkeur gegeven. - In de eerste dagen des Christendoms, eer men algemeen in de heiligdommen de doopvonten had ingericht, werden veelal de oevers van stroomen en rivieren tot de bediening des Doops uitverkoren. Velen der eerste Christenen, die niet te ver van Palestina verwijderd woonden, betoonden zelfs eene groote gezetheid, om in diezelfde rivier gedoopt te worden, waarin de Zaligmaker der wereld eenmaal die plechtigheid had ondergaan; gelijk blijkt uit het gezegde van Tertullianus: De baptismo, c. 4: ‘Het doet niets ter zake, of wij tot die gedoopten behooren, welke Joannes in de Jordaan, of Petrus in den Tiber gedoopt heeft.’
Bl. 114. De zon had met haar laatste stralen, Zijn hagelwit gewaad verguld...
De avond werd, meer dan de morgen of eenig ander gedeelte van den dag, tot de bediening des Doops gekozen. Niet enkel, omdat dit tijdstip, wegens de kalmte, alsdan in de Natuur heerschende, voor zulk eene plechtige handeling bij uitnemendheid geschikt was, maar ook omdat het aan de begrafenis van Christus deed denken, waarvan de doop, of onderdompeling in het water, een zinnebeeld en afschaduwing gerekend werd. Verg. Rom. VI vs. 4. De doopelingen werden in het wit gekleed. Men zie nog andere merkwaardige bijzonderheden, omtrent de verrichting dezer plechtigheid onder de eerste Christenen, bij w. Cave, t.a.p. deel I. bl. 316-349.
Cookies on Poetry Cove