V.
In den winter.
Melodie Ev. Gez. 166.
Het zwerk blijft somber nederhangen; Een doodsche stilte heerscht alom; De schepping treurt; zij heeft geen zangen, En de orgeltoon van 't woud werd stom; Maar - huivren ook van kou de leden - Hier rijzen liedren en gebeden; Hier loven we U, o God! te zaam; De dag zwijm' weg in neev'lig donker; Nog lezen we in het stargeflonker De lett'ren van Uw Vadernaam!
Groot blijft ge in al Uw werken, Heere! Heeft niet de Winter ook zijn pracht?
U zij de lof, de sterkte en eere! U, en de grootheid Uwer macht! Wiens aâm de waatren doet verstijven, Dat ze als een vloer gezolderd blijven, Van marmren zuilen onderschraagd; Op wiens bevel des hemels sluizen Zich oopnen, de rivieren bruisen, De sneeuwstorm langs de velden jaagt.
Gij blijft als Koning hoog gezeten, Ook bij het steigren van den vloed; Ook als de stroom, zijn boei vergeten, Zijn keten dondrend springen doet; Als hij het ijs daar werpt in stukken, En berggevaarten aan doet rukken, Die zwalpend beuken op den wal; 't Zij zich de waatren zacht ontbinden, En vreedzaam zich langs de oevers winden - Uw Vaderoog waakt overal!
Gij blijft de steun, de troost der armen, Bij 't snerpen van den winternacht, Gij, die den wind in Uw erbarmen Voor 't pas geschoren lam verzacht! Geen muschjen, over 't aardrijk zwervend, En hongrig 't laatste voedsel dervend, Valt zonder U op 't sneeuwdek neer: Hoe zoudt Ge, o Vader! één vergeten Van wie Uw kindren mogen heeten? - Gij moedlooze armen, hoopt dan weer
Ja, moog' geheel de schepping zwijgen, Nu de aard haar winterslaap begon, De Winter zal ons lied doen stijgen, Waar nooit de Zomer 't voeren kon. ‘God heeft in menschen welbehagen!’ Zoo ruischt, de heemlen doorgedragen, Het lied van Bethlem-Efrata; En wij - die voor de kribbe ons buigen, Die Aarde en Hemel saam doet juichen - Wij zingen 't lied der Englen na!
Wij zingen juichend 't lied der hope, Bij 't grauwen van den langsten nacht; Wat ook de gramme Winter sloope, De Lente keert, en 't aardrijk lacht. Al wandelt onze blik langs graven, Waaraan wij onze dooden gaven, Thans door één lijkkleed overdekt; Eens ruischt het leven weer langs d' akker! Al wat gestorven scheen wordt wakker. God! als Uw levenszon het wekt.
Cookies on Poetry Cove