Skip to content
1880

Dichtwerken. Deel 1

Bernard Haar

Petrus.

Driftige Petrus! waar zet gij uw treden? Daalt gij van 't scheepken en waagt gij uw schreden, Stout op uw moed, langs den bruisenden plas? Hoort gij den storm en den afgrond niet loeien? Waant gij uw enkels met vleuglen te schoeien? 't Lillende vocht te doen stollen als glas? -

Hoog gaan de baren; luid gonzen de winden; Wáár voor den voet thans een steunpunt te vinden? 't Zwelgende graf spart zijn kaken alreê; Zwart is de Hemel; geen star ziet hij blinken. ‘Heere, behoud mij!’ zóó roept hij in 't zinken, Half overstort door de zwalpende zee.

Kleine in 't geloove! wat hebt gij gewankeld? Dooft reeds het vuur, dat uw adren doorsprankelt? Driftige Jonger! wat was nu uw moed? - Steigrende golven, die stuiven en jagen, Rijzend en ebbend naar 't dwarlen der vlagen, Bobbelend schuim op den hobb'lenden vloed!

Vat haar, de hand, die uw hand heeft gegrepen! Houd haar met klemmende vingren omnepen, Macht en ontferming omsluit zij te zaam. Hij, die als Heer op den rug treedt der vloeden, Weet in gevaar ook de zijnen te hoeden: Helper en Redder blijft eeuwig Zijn naam!

Ziet hen 't geteisterde hulkje bestijgen, Stilte gebiedt Hij - de rukwinden zwijgen, Glinstrend als marmer en effen is 't meer. 't Koeltje draagt geuren hun toe van de stranden, Waar met gejuich nu het scheepke gaat landen: Golven en winden herkenden hun Heer!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtwerken. Deel 1 · Bernard Haar · Poetry Cove